Fraaie spinnendoder

Voor wie niet van spinnen houdt, is er goed nieuws: de fraaie spinnendoder (Gibellula pulchra). Deze moordenaar is een schimmel die leeft als parasiet op (en in) spinnen. Biologen noemen zo'n levenswijze biotroof. De fraaie spinnendoder heeft een bijna wereldwijde verspreiding, al zal hij door zijn piepkleine omvang maar weinig waargenomen worden.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Gibellula, eert de Italiaanse botanicus en kenner van korstmossen Giuseppe Gibelli (1831-1898). Hij wordt herinnerd vanwege zijn ooit baanbrekende onderzoek naar de symbiotische associatie tussen schimmels en plantenwortels. Het tweede deel, pulchra, is Latijn en betekent 'mooi' of 'fraai'.

De fraaie spinnendoder leeft ongemerkt onder stenen, schors, bladeren, op rottende boomstammen of binnen hoopjes van plantaardig materiaal op de bosbodem. Niemand die in deze onopvallende schimmel een woeste moordenaar zal zien.

Maar de daden van de fraaie spinnendoder worden een stuk opvallender nadat ze is spin heeft aangevallen. Ze omhullen hun gastheer en groeien in en om het kadaver van de spin. Pas zodra spinnen sterven aan de pathogene schimmel, zal de fraaie spinnendoder vruchtlichamen produceren.

Om zich aan een spin te kunnen hechten zendt de fraaie spinnendoder op goed geluk een grote hoeveelheid sporen uit. Wanneer een spin in contact komt met zo'n spore zal deze ontkiemen en langzamerhand het slachtoffer omhullen. De fraaie spinnendoder dringt de spin binnen met een gele laag mycelium. Dit mycelium verteert de spin van binnenuit. Wanneer de spin is overleden, beginnen stijve, zogenaamde, lavendelclava's uit het spinnenkadaver omhoog te schieten.

De fraaie spinnendoder verteert de exoskeletten van zijn slachtoffers niet, waardoor de oorspronkelijke vorm van de spin nog steeds vaag te herkennen zal zijn. Niet lang nadat de spin gestorven is, vervagen de kleuren van het mycelium en de clava van fletsgeel tot een crèmekleurige of onbestemde kleur.

Er zijn geen berichten over de omstandigheid dat de fraaie spinnendoder eetbaar is. Hij is daarvoor simpelweg te klein en het idee dat hij zelf spinnen op het menu heeft staan is ook niet echt iets om je te laten watertanden.

Voor de volledigheid [1]: In Nederland leeft ook nog de geelwitte spinnendoder (Gibellula leiopus), maar die is nóg minder vaak waargenomen.
Voor de volledigheid [2]: Al eerder hebben we het hier op deze plaats gehad over de rupsendoder (Cordyceps militaris).

Paarse knoopzwam

De paarse knoopzwam (Ascocoryne sarcoides) is een schimmel die behoort tot de familie der Gelatinodiscaceae. In het Engels noemen ze hem de purple jellydisc ('paarse geleischijf'). Hij haalt zijn voeding uit verrot plantenmateriaal en is dus saprotroof. In Nederland komt de soort zeer algemeen voor, al lijkt hij aan de kusten van de Waddenzee wat last te hebben van de zilte omstandigheden. De vruchtlichamen zijn aanwezig van augustus tot en met december.
Het violetroze vruchtvlees heeft een diameter van maximaal twee centimeter. De vruchtlichamen zijn bijna steelloos. Aan de binnenkant is de kleur vleeskleurig roze. Vaak worden de vruchtlichamen aangetroffen in imperfecte (aseksuele) stadium, waarbij ze knopvormig, kussenvormig of hersenvormig kunnen zijn. In het perfecte (seksuele) stadium ontwikkelt het vruchtlichaam zich tot in de vorm van een tol of schijf.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ascocoryne, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar askós (ἀσκός) 'zak' betekende en korṓnē (κορώνη) 'krans' of 'kroon'. Het tweede deel, sarcoides, is ook al Oudgrieks: sárx (σάρξ) betekende 'vlees' of 'vlezig'.

De paarse knoopzwam is lastig te determineren, want hij lijkt veel op de grootsporige paarse knoopzwam (Ascocoryne cylichnium). Het verschil is alleen duidelijk als je de sporen onder een microscoop bekijkt. De grootsporige paarse knoopzwam heeft namelijk wat grotere sporen dan de paarse knoopzwam.

Als mycologen een paarse knoopzwam aantreffen weten ze natuurlijk niet welke soort het betreft. Daarom hebben ze een kreet verzonnen om niet-deskundigen te laten weten dat ze gestudeerd hebben. Ze noteren een dergelijke vondst dan voorlopig als paarse knoopzwam sensu lato, afgekort tot s.l. Dat is een Latijnse uitdrukking die 'in brede (of wijde) zin' betekent. Het is het tegenovergestelde van van sensu stricto ('in strikte zin').

Nu is het verschil tussen de sporen van beide soorten eigenlijk verwaarloosbaar: de (reguliere) paarse knoopzwam heeft sporen die tot 5 micrometer (µm) groot zijn, terwijl de sporen van de grootsporige paarse knoopzwam tot 6 micrometer (µm) groot zijn. Het probleem is natuurlijk dat je onder de microscoop soms grote sporen van de (reguliere) paarse knoopzwam kunt zien of kleine sporen van de grootsporige paarse knoopzwam.

Het vruchtvlees van de paarse knoopzwam heeft, zoals de naam al aangeeft, de structuur van gelei. Deze soort heeft een niet opvallende geur of smaak zo hebben mycologen vastgesteld. Niet dat er ook maar iemand zal zijn die een piepklein zwammetje als de paarse knoopzwam als gerecht wil opdienen.

Chaga of Berkenweerschijnzwam

Ik snap direct dat een ietwat exotische benaming als chaga betere verkoopresultaten oplevert dan berkenweerschijnzwam (Inonotus obliquus). Aan deze zwam worden nogal wat positieve effecten op je gezondheid toegeschreven. Maar daarover later meer.
De berkenweerschijnzwam is een langzaam groeiende parasiet die groeit op beschadigde en verzwakte berken. Deze soort komt uitsluitend voor in koude regio's van het noordelijk halfrond. Deze zwam parasiteert jarenlang op diens gastheer en doet dat zo goed dat het uiteindelijk leidt tot de dood van de berk. Uiteraard is deze lastpak in het najaar en de winter het beste zichtbaar, omdat hij dan niet aan het zicht wordt onttrokken door de bladeren.

Nee, het zichtbare deel van de zwam op de berk is niet het vruchtlichaam, maar een uiterst compacte massa myceliumdraden. Het vruchtlichaam is slechts uiterst zelden waar te nemen en verschijnt alleen als de gastheer, waarop de zwam parasiteert, de geest heeft gegeven. Het eerder genoemde zichtbare deel heeft het uiterlijk van een verkoolde sintel, een soort onregelmatig gevormde kluit, waarvan de diameter varieert van vier tot 40 centimeter en de dikte 10 tot 15 centimeter. De berkenweerschijnzwam heeft een hoge dichtheid. Van binnen is de zwam geel of geelbruin met een wat kurkachtige textuur. Het sclerotium aan de buitenkant kan plaatselijk bros zijn.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Inonotus, is een combinatiewoord van ino-, een verouderd voorvoegsel (prefix) uit het Latijn, wat 'vezel' of 'vezelig' betekende, gekoppeld aan het Latijnse ot, wat 'oor' betekent. Samen is dat '(lijkend op een) vezelig oor'. Het tweede deel, obliquus, is afgeleid van het Franse oblique, wat 'schuin' betekent.

Chaga, de naam waaronder deze parasiet in de wondere wereld van de alternatieve geneeskunst bekend staat, komt uit het Russische чага (čaga), wat op zijn beurt geleend is uit de taal die gesproken wordt in de Komi, een Russische regio die schurkt tegen het poolgebied: тшак (čak) betekent 'paddenstoel'.

Onder de naam chaga zou deze zwam al eeuwenlang ingezet worden bij de behandeling van allerlei kwalen. Zelfs kwaadaardige tumoren verdwijnen kennelijk als sneeuw voor de zon. Na het benoemen van veel positieve eigenschappen gaan websites, die het spul aan de man proberen te brengen, nog even de belangrijkste actieve componenten benoemen. Zo wordt bijvoorbeeld gemeld dat het rijk is aan polysacchariden. Dat klinkt heel interessant, maar het is gewoon zetmeel.

De vraag is natuurlijk: werkt het ook. Natuurlijk is er door aanhangers wat wetenschappelijk onderzoek verricht op cellijnen (in vitro) en bij muizen (in vivo). De meeste onderzoeken rapporteerden positieve effecten op hele diverse ziektebeelden, waaronder kanker[1]. Maar vraag je eens even rustig af waarom de reguliere wetenschap nog helemaal niets van deze zwam wil weten. Of je hem nu chaga of berkenweerschijnzwam noemt.

De berkenweerschijnzwam bevat hoge concentraties melanine, maar tevens hoge concentraties oxalaat. Melanine is een pigment dat, onder andere, verantwoordelijk is voor een donkere huidskleur. Oxaalzuren zijn zeer schadelijk voor je nieren en dat kan zelfs fataal aflopen[2][3][4].

Maar waar komen dan die verhalen vandaan dat men in Rusland geraspte chaga als 'thee' drinkt? De bron van dit verhaal is dat de bevolking soms zo arm was dat men geen thee kon kopen. Chaga was dus simpelweg een armeluis vervanging van thee.

[1] Zheng et al: Chemical diversity of biologically active metabolites in the sclerotia of Inonotus obliquus and submerged culture strategies for up-regulating their production in Applied Microbiology and Biotechnology - 2010. Zie hier.
[2] Kikuchi et al: Chaga mushroom-induced oxalate nephropathy in Clinical Nephrology - 2014.
[3] Lee et al: Development of End Stage Renal Disease after Long-Term Ingestion of Chaga Mushroom: Case Report and Review of Literature in Journal of Korean Medical Science - 2020
[4] Kwon et al: Chaga mushroom-induced oxalate nephropathy that clinically manifested as nephrotic syndrome: A case report in Medicine (Baltimore) - 2022

Weerhuisje

Het Weerhuisje (Astraeus hygrometricus) is een kleine tot middelgrote aardster met sterk hygroscopische, dikke, aan de binnenzijde meestal gebarsten slippen. De benaming aardster is onjuist en verwarrend, want het Weerhuisje is geen aardster, maar blijkt meer verwant aan de aardappelbovist (Scleroderma citrinum). Het grijsbruine bolletje met een doorsnede van circa drie centimeter heeft een ruw vezelig oppervlak en een onregelmatig openscheurende, vormeloze opening. Ze komt tevoorschijn tussen eind augustus tot eind november.
[Image: Richard Sullivan]

Ze worden vooral aangetroffen op de Veluwe, op de Utrechtse Heuvelrug en in Zuid-Limburg. Vroeger kwamen ze ook wel voor op oude strandwallen. In Europa is ze algemeen in het mediterrane gebied, maar wordt naar het noorden toe zeldzamer. De noordgrens van haar areaal ligt vermoedelijk ter hoogte van Nederland, Duitsland en Polen. In Nederland is het Weerhuisje intussen vrij zeldzaam, in België zeer zeldzaam. Op de Waddeneilanden is hij minstens zo zeldzaam, maar van Ameland en Schiermonnikoog zijn recente waarnemingen bekend.

In Nederland is het Weerhuisje uitgesproken kalkmijdend, in Zuid-Europa wordt ze echter ook op kalkhoudende bodem aangetroffen. Het Weerhuisje leeft in symbiose met meerdere loofbomen en struiken. Ze groeit meestal in loof- en gemengd bos en lanen op voedselarme zandgronden, met een voorkeur voor zonnige plaatsen. Er is een sterke achteruitgang geconstateerd, waardoor de soort uit de duinen is verdwenen. Ook gaat het niet goed met de soort in de centrale pleistocene regio. Het Weerhuisje staat daarom als 'bedreigd' op de Rode Lijst.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Astraeus, is afkomstig uit het Oud-Grieks, waar Astraîos (Ἀστραῖος) 'ster' betekende. Het tweede deel, hygrometricus, is een combinatiewoord: het Oud-Griekse hugrós (γρός) is 'nat' of 'vochtig', terwijl métron (μέτρον) '(op)meten' betekende. Samen is dat uiteraard 'vochtmeter'.

Vroeger hadden mensen soms een weerhuisje in huis hangen waarop je kon zien hoe droog of vochtig de lucht eigenlijk was. Die weerhuisjes werkten op de eigenschappen van een paardenhaar. Bij vochtig weer was de paardenhaar wat langer, waardoor het mannetje, getooid met paraplu, naar buiten draaide. Bij droog weer was de paardenhaar wat korter, waardoor het vrouwtje naar buiten draaide. Tegenwoordig bekijk of beluister je even snel het weerbericht. Bovendien zijn huizen nu veel beter geïsoleerd, waardoor het vocht buitenshuis wordt gehouden. Een weerhuisje is daarmee nutteloos geworden.

De paddenstoel met dezelfde naam bevindt zich, zo hoop ik, in de buitenlucht en werkt daardoor zoals het hoort. De slippen van de stuifzwam buigen zich naar boven bij droog weer en vouwen zich weer terug naar de bodem bij vochtig weer. Ze zijn dus op z’n mooist en in vol ornaat te zien bij vochtig weer. In Engeland noemen ze hem daarom barometer earthstar, al is false earthstar ook een geaccepteerde benaming. De zwam wordt als oneetbaar beschouwd, al worden ze in landen als Nepal en Bangladesh als delicatesse beschouwd.

Bron.

Purperknolcollybia

Zeldzaam, heel zeldzaam is de purperknolcollybia (Collybia tuberosa) in het hele Waddengebied. In 2019 is er een groepje waargenomen op Schiermonnikoog en daarna (en daarvoor) bleef het stil.
De purperknolcollybias komen in grote groepen voor en voeden zich met dood organisch materiaal op oude, halfvergane resten van andere paddenstoelen. Het substraat is daardoor vaak helemaal zwart geworden en nauwelijks meer als zodanig te herkennen. Deze soort vertoont zich aan de wereld in de nazomer tot herfst. Hij komt in ons land algemeen voor, met uitzondering van de zeeklei- en veengebieden. Van te zware, te natte of te zure bodem houden ze niet.

Purperknolcollybias hebben zeer kleine hoeden die zelden een grotere diameter hebben dan een centimeter. Op jonge leeftijd zijn deze hoeden ietwat gewelfd, soms wat kegelvormig met een zichtbare umbo ('schildknop'). Op latere leeftijd worden de hoeden vrijwel vlak. De hoed is opvallend droog, zelfs glad of glacé aanvoelend. De kleur is wit, gebroken wit of wit met een hele lichtbruine waas. De steel is veel langer dan de hoeddiameter en is slechts 0.5 tot 1.0 millimeter dik. De basis van de steel is bevestigd aan een roodbruine knol die in het oppervlak van het substraat is ingebed.

Het vlees van purperknolcollybia stelt natuurlijk niets voor, maar is wit van kleur met een onopvallende geur en smaak. Deze geur zal vaak ook nog eens gemaskeerd worden door de geur van de rottende paddenstoelen waar de purperknolcollybia op groeit. Het zal de lezer niet verbazen dat deze soort nergens ter wereld geconsumeerd wordt.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Collybia, kunnen we terugvinden in het Oud-Grieks. Daar betekende kollybos (κόλλυβος) een klein muntstuk of een klein gewicht in goud. De naam verklaart de grootte van de gemiddelde hoed van dit geslacht. Het tweede deel, tuberosa, is afkomstig uit het Latijn, waar tūber zoiets betekende als 'knol' of 'zwelling'.

Is er dan niets speciaals aan deze onopvallende paddenstoelen, zo kun je je afvragen.

Welnu, de purperknolcollybia heeft zichzelf ooit een trucje aangeleerd. Zijn mycelium, het ondergrondse netwerk van alle schimmeldraden, geeft groenig licht. Heel weinig weliswaar, maar het is toch een geval van bioluminescentie en dat is knap.

Knikkend kalkkopje

Het knikkend kalkkopje (Physarum album) is een redelijke zeldzaamheid in Nederland, maar al helemaal op de Waddeneilanden. Slechts op Texel en Ameland zijn de laatste jaren een tweetal waarnemingen gedaan. Nu moet ik toegeven dat het gebrek aan waarnemingen ook de schuld is van het knikkend kalkkopje zelf, want deze slijmzwam is slechts één tot anderhalve millimeter hoog. Deze soort is dus gemakkelijk over het hoofd te zien.
Het sporendoosje of sporangium (de meervoudsvorm is sporangia) is de structuur waarin sporen worden gevormd. Bij een reguliere zwam is dat natuurlijk de hoed, maar slijmzwammen hebben een andere oplossing bedacht. Zoals gemeld is het knikkend kalkkopje maximaal 1.5 millimeter hoog. De slijmzwam is rechtopstaand of ietwat geknikt, vandaar natuurlijk de naam. De kleur is wit tot grijswit of – bij afwezigheid van kalk in de bodem – regenboogkleurig als gevolg van de lichtinval.

Het steeltje is in de lengterichting gerimpeld en de bovenkant is doorschijnend en soms ondoorzichtig. Die kleur varieert van grijs, geelachtig, olijfkleurig of zelfs zwart.

Het plasmodium, waarmee deze slijmzwam zijn voedsel zoekt, is waterig wit of geelachtig grijs. Deze soort leeft saprotroof op het dode hout van naaldbomen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Physarum, is afgeleid van het Oud-Grieks, waar phusallís (φυσαλλίς) 'blaas' betekende. De naam van dat orgaan is terug te herleiden tot phusṓ (φυσώ), wat '(op)blazen' heeft betekend. Het probeert de vorm van de kalkkopjes te beschrijven. Het tweede deel, album, is via het Latijnse woord albus ('wit') ook al afkomstig uit het Oud-Grieks, waar we alphós (ἀλφός) aantreffen. Het woord had de betekenis van 'witheid' en 'witte lepra'. Lepra (of melaatsheid) vormt namelijk witte vlekken op de huid.

Het knikkend kalkkopje is dus piepklein en dat vinden wetenschappers maar een vervelende eigenschap. De wetenschap is altijd op zoek naar antwoorden op problemen. Eén van die problemen is bijvoorbeeld dat mensen en dieren steeds meer resistent raken tegen alle vormen van antibiotica. Er zijn nu zelfs al bacteriën die zich zo gemuteerd hebben dat ze antibiotica lekker vinden. Zwammen en dus ook slijmzwammen lijken interessante onderwerpen te zijn om te onderzoeken of er wellicht een nieuw antibioticum in verbogen zit, maar het formaat van het knikkend kalkkopje maakt het lastig om voldoende onderzoeksmateriaal te vinden.

In Japan werkt een wetenschapper die kennelijk heel veel geduld heeft. Masami Ishibashi heeft lange tijd in zijn achtertuin slijmzwammen gezocht en verzameld. Toen hij eindelijk voldoende exemplaren bijeen had gesprokkeld heeft hij ze onderzocht[1].

Inderdaad vond hij nog onbekende stofjes in zijn slijmzwammen. De belangrijkste daarvan bleken een paar tyrosine-kinase inhibitory bisindoles te zijn. Een tyrosine kinase remmer is een medicijn dat soms wordt voorgeschreven als onderdeel van een behandeling tegen kanker. Het middel verhoogt de overlevingskans bij patiënten met chronische myeloïde leukemie (CML) behoorlijk. Ook kan het tegenwoordig voorgeschreven worden bij ziektebeelden als idiopathische pulmonale fibrose.

[1] Masami Ishibashi: Isolation of bioactive natural products from myxomycetes in Medical Chemistry - 2005

Duinfranjehoed

Bekijk de kaart waarop de waarnemingen van de duinfranjehoed (Psathyrella ammophila) staan ingetekend en je snapt direct de naamgeving: van Zeeland in het uiterste zuidwesten tot Rottumeroog in het uiterste noordoosten komt de duinfranjehoed voor in de duinen. De duinfranjehoed is zelfs kenmerkend voor de buitenste zeereep, in primaire en dus zeer dynamische duinen, waar de wind zorgt voor een permanente toevoer van zand. Deze zwam voelt zich kennelijk op zijn gemak tussen helmvegetaties en de open plekken daartussen. De duinfranjehoed leeft van dood organisch materiaal en dat betekent voor deze soort dat hij voornamelijk leeft van afgestorven helm dat onder het zand geraakt is.
[Image: Grażyna Domian | Duinfranjehoed]

Komt hij alleen in het duingebied voor, zo zou een vraag kunnen zijn. Welnu, er zijn enkele sporadische vindplaatsen bekend langs de kusten van het IJsselmeer en langs de grote rivieren. Maar overal is dat op een ondergrond die vrijwel gelijk is aan die van duinen of een gebied dat is opgespoten met duinzand.

In volwassen vorm heeft duinfranjehoed een hoed met een doorsnede van 10 tot 15 centimeter. De vorm daarvan varieert tussen gewelfd tot vrijwel vlek. De kleur van die hoed fluctueert van donker roodbruin tot vuilbruin. Bovendien verbleekt de kleur ook nog bij uitdroging. De structuur is glad met kleine velumbrokjes aan de rand. De steel kan tot 70 centimeter lang worden, al zal een groot deel daarvan onder het zand verstopt zitten. Hij moet soms behoorlijk zijn best doen om zijn koppie boven het stuifzand te houden en dat betekent snel kunnen groeien als de situatie precair wordt.

Overigens wordt de hoed door het door de wind meegevoerde scherpe duinzand voortdurend gezandstraald. Daardoor verbrokkelt die hoed en ziet er dus na verloop van tijd niet meer zo fraai uit.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Psathyrella, is het verkleinvorm van het Oud-Griekse psathurós (ψαθυρός), wat 'bros' of '(af)brokkelend' betekent. Het beschrijft de geteisterde hoed. Het tweede deel, ammophila, is een combinatiewoord uit het Oud-Grieks, waar ámmos (ἄμμος) 'zand' betekent en philía (φιλία) 'houden van'. Samengebld beschrijft dat perfect de leefwijze van deze soort.

Is deze soort eetbaar is een terechte vraag. Het vlees van de hoed en stengel is bleek van kleur. De structuur daarvan is broos. Zowel de smaak als de geur van deze paddenstoel is onopvallend. Hoewel deze soort niet bekend staat als giftig wordt hij als volstrekt oneetbaar beschouwd vanwege de aanwezigheid van al die zandkorrels die zich in het vlees hebben opgehoopt.

Vogelveerzwam

De Vogelveerzwam (Onygena corvina) is een kleine zwam die saprotroof leeft op oude braakballen, vogellijken en veren, en soms zelfs op achteloos in de natuur achtergelaten stukken textiel of wol. Deze soort komt solitair voor, maar kan ook in behoorlijke grote groepen voorkomen.
[Image: Volker Fäßler]

De vogelveerzwam gebruikt keratine als voedselbron. Die keratine is een taai, onoplosbaar eiwit dat voorkomt in onder andere de epidermis (buitenlaag) van de huid bij mens en vele dieren. Omdat het een taaie structuur heeft, laten veel vleeseters dat ongemoeid. Deze paddenstoel fungeert dus als een soort laatste stap om restanten terug in de natuur te brengen.

Het vruchtlichaam van de vogelveerzwam hebben een bolvormige, ietwat afgeplatte kop die witachtig tot crème van kleur is. Later verkleurt deze tot bruinachtig. De witte tot bruinachtige cilindrische steel is drie tot zes centimeter lang bij een doorsnede van twee millimeter. Het perineum – de buitenste schil- van de kop breekt wanneer het vruchtlichaam volwassen is, waardoor de piepkleine bruine en poederachtige sporen binnenin zichtbaar worden. Die sporen lichtbruin en hebben een afmeting van 10 bij 5 µm, al is dat zo klein dat ze nauwelijks zichtbaar zijn. Ze bevatten een of twee oliedruppeltjes. De asci (sporendragende cellen) zijn 15 bij 10 µm, bijna bolvormig.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Onygena, is een combinatiewoord uit het Oud-Grieks: ónux (ὄνυξ) betekent 'klauw' of 'nagel', terwijl geneá (γενεά) 'afstammen' betekent. Samen is dat dus zoiets als 'afstammend van klauwen of nagels'. Beide bevatten veel keratine. Het tweede deel, corvina, is Latijns en is een vervoeging van Corvus, het geslacht waartoe kraaien, roeken, en kauwen behoren.

De vogelveerzwam heeft nog een broertje, de hoefzwam (Onygena equina), die zich heeft gespecialiseerd op de hoeven en hoornen van dode schapen, koeien en paarden. Ook hoeven en hoornen zitten boordevol keratine.

Het hoeft geen betoog dat zowel de vogelveerzwam en de hoefzwam niet eetbaar is. Ze zijn simpelweg te klein.

De vogelveerzwam is lange tijd relatief zeldzaam geweest, maar de laatste tijd lijkt de soort aan een opmars bezig. Wetenschappers geloven dat dit te maken kan hebben met de huidige uitbraak van vogelgriep.

De grootste kolonie Grote sterns op Texel van ongeveer 3,300 broedparen werd bijna volledig weggevaagd door de vogelgriep. Ook onder ganzen, eenden, meeuwen en andere soorten houdt het virus huis. Al die zieke vogels strijken neer om te sterven als ze de kracht niet meer hebben om verder te vliegen. Je vindt in de duinen van de Waddeneilanden nog steeds dode zeevogels.

De vogelkadavers worden eerst door insecten, maar ook door roofvogels en meeuwen ontdaan van de meeste vleesresten. Gevolg is dat zij op hun beurt een grote kans lopen om besmet te raken, waardoor er nog meer slachtoffers vallen. Als de veren en het skelet na verloop van tijd schoon overblijven, is het restant voor de vogelveerzwam. Die helpt dus mee als een laatste opruimer van de vogelkadavers.

Zwarte trilzwam

De zwarte trilzwam (Exidia nigricans) is inheems in zowel Noord-Amerika als Europa. Deze soort is een saprofyt op en in dood loofbomenhout, vooral hazelaar, es, beuk en (soms) eik, zowel op nog aan de boom vastzittende dode takken als op de grond liggende takken.
[Image: N. Vėlavičienė]

De vruchtlichamen hebben een consistentie die doet denken aan gel of boter, vandaar dat hij in Engelstalige landen als Witches' butter ('heksenboter') bekend staat. Dat maakt het allemaal niet eenvoudiger, want zowel daar als hier bestaat al een andere zwam die ook de naam heksenboter (Fuligo septica) draagt.

Het vruchtlichaam van de zwarte trilzwam is knoopvormig en zo'n twee centimeter in doorsnede. De kleur van dat vruchtlichaam varieert van donker sepia tot zwartig. Deze soort wil niet eenzaam zijn en groeit dus in groepjes. Naarmate de tijd verstrijkt groeien ze samen en vormen een donkere vlek op het geïnfecteerde hout. Ze vormen dan uiteindelijk, afhankelijk van de oorspronkelijke hoeveelheid zwarte trilzwammen, een tot 30 centimeter lange en tot zes centimeter brede laag die maximaal twee centimeter dik is. De combinatie van zwarte trilzwammen heeft dan een onregelmatige, bijna op een hersenstructuur lijkende structuur. Het vettig glanzende oppervlak is met piepkleine klierwratjes bedekt.

Bij langdurige droge periodes droogt de zwarte trilzwam langzaam in tot een dunne, olijfbruine korst, maar hij zal bij vochtige omstandigheden weer snel zijn oorspronkelijke zwarte, gelachtige structuur kunnen aannemen. De zwarte trilzwam vermenigvuldigt zich met witte sporen. Die sporenvorming vindt het gehele jaar plaats, maar vooral in de late herfst.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Exidia, is afkomstig uit het Latijn, waar exsudo 'uitzweten' betekent van ex ('uit') en sudo ('zweten'). De zwarte trilzwam lijkt inderdaad wat op zweetplekken op een oude tak. Het tweede deel, nigricans, is ook al terug te vinden in de oude taal der Romeinen en betekent 'zwartig', uiteraard afgeleid van niger ('zwart').

Deze soort heeft geen opmerkelijke geur of smaak. De zwarte trilzwam staat bekend als niet giftig, al hebben slechts weinig mensen een dappere poging gewaagd om hem te proeven. Het is echter twijfelachtig of de zwarte trilzwam eetbaar is. Hij is in ieder geval veel te klein om te verwerken tot een gerecht en de hersenachtige consistentie werkt ook al niet in zijn voordeel.

Wetenschappelijk onderzoek over de zwarte trilzwam heeft ook nog niet plaatsgevonden en dus leeft deze soort in relatieve anonimiteit op dood hout op de Waddeneilanden en de Friese Waddenkust. Laat de zwarte trilzwam dus maar met rust als je hem tegenkomt.

Gewoon elfenschermpje

Men een naam als gewoon elfenschermpje (Mycena pura) denk je al snel: dat is het meest normale lid van de familie, maar zoals de Engelsen zeggen: Appearances can deceive. Deze soort is saprotroof en leeft op (en van) strooisel van zowel loof- als naaldbomen. Hij is (vermoedelijk) wereldwijd aanwezig en voornamelijk te vinden op zandgronden.
Het gewoon elfenschermpje heeft een hoed van twee tot vijf centimeter in doorsnede. In eerste instantie is deze hoed ietwat gewelfd, maar zal later min of meer vlak worden. De kleur van de hoed is nogal variabel. Meestal zal hij roze tot bordeauxrood van kleur zijn, maar kleuren als wit, helder geel, blauwgrijs of zelfs rood komen voor. In Engelstalige landen gaat hij door het leven als de lilac bonnet, ofwel de 'lilakleurige hoed'. Die hoed wordt naar de randen toe steeds bleker en is duidelijk doorschijnend gestreept. De steel is ongeveer twee maal zo lang als de hoed breed is. Diens kleur kan variëren van wit, roze tot ietwat gelig met een zweem van violet. Het is wel een beetje ongewoon om als eenvoudig zwammetje zowel kleurschakeringen te kunnen hebben.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Mycena, komt van het Oud-Griekse woord múkēs (μύκης) wat 'paddenstoel' betekent en wat in het hedendaagse Engels nog voortleeft als mucus membrane ofwel 'slijmvlies'. Het tweede deel, pura, is afgeleid van het Latijnse purus, dat ooit ook de betekenis had van 'zuiver', 'helder' of 'transparant. Het probeert de ietwat doorschijnend gestreepte hoed te beschrijven.

Ik neem aan dat de gemiddelde lezer van dit artikel niet echt benieuwd is naar de eetbaarheid van deze tere paddenstoel, maar voor de volledigheid meld ik hier toch even dat deze soort een scherpe radijsachtige geur heeft, wat niet direct uitnodigt tot consumptie. Verder is het gewoon elfenschermpje in staat om kleine hoeveelheden van het potentieel dodelijke muscarine plus strobilurine D aan te maken. De eerste is een mycotoxine, een gifstof, terwijl de tweede een metaboliet van muscarine is en werkt als een antischimmelmiddel, ook al een gifstof. Ondanks de aanwezigheid van deze afweermethodes zien sommige 'kenners' het gewoon elfenschermpje toch als eetbaar. Ik zou hem laten staan, zeker omdat de natuur op de Waddeneilanden kwetsbaar is.

Maar het gewoon elfenschermpje heeft zich nog een trucje aangeleerd. Net zoals een aantal andere zwammen geeft hij licht, een eigenschap die men bioluminescentie noemt. Hij is in staat om heel vaag groen licht te produceren, maar ik heb het gevoel dat deze soort nog aan het evolueren is, want die lichtproductie is nog zo zwak dat je een hele gevoelige camera nodig hebt en een lange sluitertijd om dat licht te kunnen waarnemen.

Toch knap van zo'n gewoon elfenschermpje.

Echte honingzwam

In Nederland is de echte honingzwam (Armillaria mellea) zeer algemeen. Deze soort is vaak in grote bundels of kluiten te vinden aan de voet van vooral loofbomen, al doet hij zich ook wel te goed aan een vers stammetje. Het zijn parasieten die geduldig hun vernietigende werk doen. Het is een necrotrofe parasiet die de boom langzaam doodt en daarna verder door het leven gaat als saprofyt en dus leeft van dood hout.
De echte honingzwam is in het bezit van een hoed die tot maximaal tien centimeter in doorsnede kan zijn, al is dat formaat een uitzondering. In jonge toestand is deze hoed ietwat kegelvormig, maar deze zal zich later uitspreiden. Eerst zal die hoed bedekt zijn met kleine, lichtbruine vezelschubjes, maar die zullen verdwijnen naarmate de tijd verstrijkt. De kleur van de hoed is bruingeel tot honingbruin met soms hier en daar wat groenige tinten. De steel is anderhalf keer zo lang als de diameter van de hoed. De steel is wat taps toelopend en is in het bezit van een wittige kraag. De onderkant van deze ring heeft een gele randzone. De lamellen zijn eerst bleekwit, later bleek pastel en neigend naar oranje.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Armellaria, is afgeleid van het Latijnse woord armilla wat 'armband' betekent en verwijst naar de uitstaande ring aan de steel van dit geslacht. Het tweede deel, mellea, is ook Latijn en betekent zoiets als 'gemaakt van honing', want mel is 'honing' en het achtervoegsel -eus is 'gemaakt van'. Voor de duidelijkheid: de echte honingzwam is niet echt gemaakt van honing, de benaming beschrijft de kleur van honing.

De echte honingzwam geurt sterk onaangenaam. De smaak is bitter, zurig en scherp. Ze stimuleren daardoor de speekselproductie. Ondanks die onhebbelijkheden wordt de hoed van de echte honingzwam beschouwd als eetbaar. De steel niet, want die is veel te vezelig voor consumptie. Nu is eetbaar een rekbaar begrip, want in rauwe toestand zal deze paddenstoel zeker maagproblemen opleveren en moet dus geclassificeerd worden als giftig. Om de echte honingzwam eetbaar te krijgen dienen ze eerst afgekookt worden. Daarna moet het kookvocht weggegooid worden. Vervolgens moeten de hoeden van deze zwam goed verhit worden om de laatste gifstoffen af te breken. Zelfs dan wordt nog geadviseerd om ze in kleine hoeveelheden te eten, al blijft de smaak onaangenaam.
[Oplichtend hout door besmetting met de echte honingzwam]

Maar de echte honingzwam heeft nog een speciale eigenschap: hij geeft licht in het donker. Niet de hele hoed, zoals bij bijvoorbeeld de scherpe schelpzwam (Panellus stipticus), maar slechts het mycelium, het netwerk van alle draden waarmee paddenstoelen hun voedsel vergaren. Gewoonlijk is dit dus een deel van paddenstoelen dat niet of nauwelijks zichtbaar is. Je kunt je dus afvragen wat het (evolutionaire) nut is van deze eigenschap. Wetenschappers vermoeden dat het juist het tegenovergestelde effect heeft dan bovengronds bioluminescentie: ze denken dat deze ondergrondse verlichting dieren zal afschrikken[1].

[1] Purtov et al: Why does the bioluminescent fungus Armillaria mellea have luminous mycelium but nonluminous fruiting body? in Biochemistry and Biophysics - 2017

Paarse eikenschorszwam

De paarse eikenkorstzwam (Peniophora quercina) groeit (voornamelijk) op dood hout waar het witrot veroorzaakt. Het maakt deze zwam niet uit of dat dode hout op de grond ligt of nog aan een boom vast zit. Dood is dood, zo denkt deze zwam. Deze soort houdt van eikenbomen, maar vindt zichzelf niet te min om zichzelf ook vast te klampen aan andere bladverliezende soorten, zoals de berk. Het is een zogenaamde pioniersoort, wat betekent dat hij als eerste begrijpt dat hout dood is en die kans laat hij zich niet ontnemen. Hoewel de paarse eikenschorszwam in ieder jaargetijde aangetroffen kan worden, produceert het slechts in de late zomer en herfst zijn sporen. De soort is inheems in Europa.
De paarse eikenkorstzwam is zelfs op levend hout aangetroffen, alhoewel het dan in een latente (slapende) vorm betreft. Het wacht dus geduldig tot de tak of boom dood gaat. Het lijkt wel of de paarse eikenkorstzwam een brein heeft waarmee het kan nadenken. Dood hout is droger, bevat daardoor meer zuurstof en dat is het signaal voor de paarse eikenkorstzwam om te gaan groeien.

Paarse eikenschorszwammen zijn tot 0,5 mm dik en vormen onregelmatige plekken die soms enkele centimeters groot zijn. In den beginne vormt de soort kleine, schijfvormige vruchtlichaampjes via gaten in de schors, maar deze breiden langzamerhand uit en versmelten tot onregelmatige plekken.

Afhankelijk van het feit of ze droog of vochtig zijn doet de paarse eikenschorszwam ook nog aan gedaanteverwisselingen. In vochtige toestand doet het oppervlak denken aan gelei of was en kan het zowel glad of wrattig zijn, variërend in kleur van dofblauw tot lila. Aanvankelijk zitten ze stevig vast aan het hout waarop ze groeien, maar als ze drogen, rollen de randen naar binnen en onthullen de donkerbruine of zwarte onderkant. De droge exemplaren hebben een korsterig en licht gespleten oppervlak en zijn felroze of grijs van kleur met een lilakleurige tint. Er is een relatief dikke laag gelatineachtig vlees. Afgezien van een bruine laag dicht bij het hout, is het vlees bijna doorzichtig. De paarse eikenschorszwam produceert piepkleine roze worstvormige sporen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, in een combinatiewoord van de Oud-Griekse woorden péos (πέος) 'uitsteeksel' en phōrós (φωρός) 'naar binnen keren'. Het beschrijft het naar binnen krullen van de korst tijdens het drogen. Het tweede deel, quercina, is afgeleid van quercus, de Latijnse benaming voor de eik. Quercus is verwant aan 'kurk'. De bast van de kurkeik (Quercus suber) produceert kurk. Die naamgeving kunnen we via het Latijnse cortex ('bast van een boom' of 'kurk') herleiden tot het oud-Griekse keiro (κείρω) dat 'afkappen' of 'afscheren' betekende.

Ik hoef de culinair ingestelde lezer niet uit te leggen dat deze soort oneetbaar is. Het vlees is taai en leerachtig en het heeft bovendien geen opvallende geur of smaak.

Paarse schijnridderzwam

De paarse schijnridderzwam (Lepista nuda) is inheems in heel Europa, waar de soort wordt aangetroffen op allerlei ondergronden in zowel dennenbossen als loofbossen. Geen wonder dus dat je hem in het hele Waddengebied wel kunt ontdekken. Deze soort is safotroof die je gedurende de herfstmaanden op rottende bladeren kunt aantreffen. De paarse schijnridderzwam wordt als eetbaar gezien en wordt hier en daar zelfs geteeld. Maar voorzichtigheid blijft geboden, maar daarover later.
Deze zwam heeft een hoed die een eensnede heeft van maximaal tien centimeter. In jonge toestand is deze hoed gewelfd, terwijl deze later vervormd tot min of meer vlak of zelfs komvormig met een lage, stompe umbo ('schildknop'). De kleur van die hoed is opvallend paars, wat minder opvallend paarsbruin of rossig bruin met een paarse tint. Ook de lamellen zijn vaak diep violet, soms iets lichter van kleur. De witte, vezelige steel is ongeveer even lang als de doorsnede van de hoed.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Lepista, is geleend uit het Oud-Grieks, waar lepastḗ (λεπαστή) 'bokaal' betekende en de vorm van de hoed van dit geslacht probeerde te beschrijven. Het tweede deel, nuda, is afgeleid uit het Latijn, waar nudus 'naakt' betekende en duidelijk verwant is aan het Engelse nude.

Het vlees van de paarse schijnridderzwam is dik en stevig van structuur. De kleur daarvan is paars met een witte marmering. Deze soort geurt zwak, maar kenners menen er in de achtergrond een ietwat parfumachtige geur of de geur van anijs te herkennen.

Zoals gezegd wordt de paarse schijnridderzwam als eetbaar gezien en hij geldt dan direct als een delicatesse. Ze kunnen echter behoorlijk ernsitge allergische reacties veroorzaken bij daarvoor gevoelige mensen. Die reactie komt veel vaker voor wanneer de zwam rauw gegeten wordt, maar zelfs bij goed bereide exemplaren kan een allergische reactie voorkomen.

Een paarse schijnridderzwam bevat bovendien trehalose, een zoetstof die de zwam zijn iewat zoete smaak bezorgt. Trehalose is een vorm van suiker die in de voedingsindustrie in het begin van deze eeuw wereldwijd werd geïntroduceerd als kunstmatige zoetstof. Het zit (of zat) bijvoorbeeld verwerkt in ijs, pasta en gehakt. Vlak na de introductie van trehalose zagen onderzoekers een toename van infecties met de typen Clostridium difficile, waarvan we nu weten dat ze beter groeien door de zoetstof. Het lijkt er dus op dat trehalose heeft bijgedragen aan de opkomst en snelle verspreiding van nieuwe typen van Clostridium difficile (Bron LUMC). Clostridioides difficile is een darmbacterie die giftige stoffen, zogenaamde toxines kan produceren. Deze toxines veroorzaken een infectie van de darmwand plus diarree (bron RIVM).

Dennenvoetzwam

De dennenvoetzwam (Phaeolus schweinitzii) is een parasitaire schimmel die stamvoetrot of bruinrot veroorzaakt. Hoewel zijn naam doet vermoeden dat deze soort het vooral op dennen gemunt heeft, is dit niet het gehele verhaal. De dennenvoetzwam groeit vaak vlak naast of nabij levende naaldbomen of stobben daarvan.
[Image: Mike Zeitz]

Deze soort is algemeen in naaldbossen en gemengde bossen op zandgronden. Daarbuiten is de dennenvoetzwam nauwelijks aangetroffen.

De vruchtlichamen, die in de late zomer of herfst verschijnen, nemen gewoonlijk grassprieten, twijgen of gevallen dennennaalden in zich op terwijl ze groeien. Dat vruchtlichaam van de dennenvoetzwam bestaat uit een vlakke tot ietwat verdiepte trechtervormige hoed van tot 25 centimeter in doorsnede. Het bovenoppervlak is ruig viltig tot harig. Jonge exemplaren zijn opvallend mosterdgeel. Tijdens het verouderingsproces verkleurt de hoed vanuit het centrum tot donker roestbruin, waarbij hij alleen aan de rand geel blijft. Naarmate de vruchtlichamen ouder worden, verandert het porie-oppervlak van geel naar groengeel. De poriën zijn bruin, de sporen zijn wit. Het geelbruine vruchtvlees wordt harder, taaier en kurkachtig.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Phaeolus, is van Latijnse herkomst waar de prefix Phae- zoiets betekent als 'donker' of 'obscuur', terwijl de suffix –olus die betekenis wat verzacht. Samen is dat dus 'een beetje donker'. Het tweede deel, schweinitzii, eert de Amerikaanse botanicus en mycoloog Lewis David von Schweinitz (1780-1834), die door sommigen beschouwd wordt als de grondlegger van de Noord-Amerikaanse wetenschap der paddenstoelen.

Deze schimmel nodigt niet echt uit om culinair mee te experimenteren. De dennenvoetzwam is immers harig en de textuur is ook al niet aantrekkelijk. Hij ruikt negens naar en smaakt iets bitter. Omdat niemand hem ooit heeft getest kunnen er ook nog onbekende gifstoffen in verborgen zitten.

Zoals gezegd veroorzaakt deze schimmel nogal wat schade aan naaldbomen. Een besmetting met de dennenvoetzwam degradeert de cellulose, de bouwstof van de bomen Chemisch gezien is cellulose een polysacharide ofwel een meervoudige suiker (β-1,4-glucaan). Dat degraderen betekent dat de sterkte van een boom wordt aangetast, waardoor hij al bij het minste zuchtje wind kan omwaaien. En waaien doet het vaak behoorlijk op de Waddeneilanden. Wat hoger boven de grond kunnen aangetaste takken door hun eigen gewicht plotseling afknappen en voor gevaar zorgen voor zorgeloze wandelaars.

In Engelstalige landen noemen ze hem, onder andere, dyer's polypore, dyer's mazegill of pine dye polypore. Zoals die namen al aangeven is de dennenvoetzwam een uitstekende bron voor kleurstoffen. Afhankelijk van de gebruikte ondergrond en toegepaste zuren kunnen de kleuren groen, geel, goud of bruin worden geproduceerd.

Waaiertje

Het waaiertje (Schizophyllum commune) doet zijn naam eer aan, want hij lijkt echt op een delicaat gekleurde golvende Chinese waaier. De soort komt algemeen voor in Nederland, maar is op de Wadden een zeldzame gast. Het waaiertje komt vooral op door zonbeschenen plaatsen, bijvoorbeeld op kapplaatsen en is dan vooral waar te nemen op dood hout van liggende stammen en takken van loofbomen. Maar dan wel pas na een regenachtige periode, gevolgd door een paar dagen van droog weer.
[ Waaiertje - Image: Labrac]

De hoed van het waaiertje heeft een doorsnede van maximaal vier centimeter, maar is in het algemeen niet groter dan een centimeter. Hij is zijdelings aangehecht en de lamellen stralen uit vanuit dat hechtingspunt. Die hoed vertoont zich aan de wereld met een harige bovenzijde die crèmekleurig geel tot bleekwit van kleur is. Deze zwam heeft gespleten lamellen aan de onderzijde en een onregelmatig ingesneden, omkrullende rand.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Schizophyllum, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar skhízō (σχίζω) 'splijten' betekent en phúllon(φύλλον) 'blad'. Het verklaart de onregelmatig ingesneden, omkrullende rand. Het tweede deel, commune, is terug te vinden in het Latijn, waar commūne ('samenleving' of 'staat' betekende. Deze soort komt dus niet alleen voor, maar vooral in een hele groep.

Als je hier denkt dat het waaiertje een enkele soort is, dan heb je het waarschijnlijk mis. Wetenschappelijk onderzoek lijkt aan te tonen dat het een complex van diverse, heel nauw verwante soorten is.

Is het waaiertje eetbaar? De kenners zijn het behoorlijk met elkaar oneens. De ene benoemt hem als niet giftig, terwijl de ander hem als oneetbaar beschouwt omdat het waaiertje maar zo klein en taai is. Een probleem is dat deze zwam zoveel vocht kan opnemen dat hij in korte tijd behoorlijk in formaat kan toenemen. Als je dus een maaltje waaiertjes op hebt gepeuzeld, dan kan het maagproblemen opleveren door het opzwellen. Toch wordt het waaiertje in de tropen vaak gegeten. Je moet toch wat. Overigens zorgt de taaie structuur er voor dat de zwam niet al te snel rot, wat in de vochtige, zwoele tropen altijd een probleem is.

Recent is echter komen vast te staan dat het consumeren van het waaiertje niet geheel zonder gevaar is. Het kan longproblemen, sinusitis en allergische reacties opleveren. Het waaiertje houdt zo van vochtige omstandigheden dat ze zelfs in menselijke longen groeien[1]. De sinusitis, gewoonlijk 'slechts' een vervelende neusverkoudheid, kan zo ernstig zijn dat artsen soms vermoeden dat de patiënt aan non-hodgkinlymfoom lijdt, vaak een zeer agressieve vorm van bloedkanker[2].

Mijn advies is om het waaiertje met rust te laten.

[1] Itoh et al: A Schizophyllum commune fungus ball in a lung cancer cavity: a case report in BMC Infectious Disease – 2021. Zie hier.
[2] Filipe et al: Schizophyllum commune sphenoidal sinusitis as presentation of a non-Hodgkin Lymphoma in Medical Mycology Case Reports – 2020. Zie hier.

Steppekoraalzwam

In 2013 was het groot nieuws onder mycologen: tijdens een excursie met acht duinexperts ontdekte Staatsbosbeheervrijwilliger Theo Westra een bijzondere koraalzwam in Berkheide, een bijzonder duingebied tussen Wassenaar en Katwijk. Dit gebied kenmerkt zich door zeer lage plantgroei en vele soorten mossen, korstmossen en paddenstoelen. Kenners noemen dit 'grijze duinen'. Theo Westra hier de eerste groeiplaats in Nederland aan van een prachtige koraalzwam. Zo zeldzaam was deze dat een Nederlandse naam zelfs nog ontbrak.
Toen deze koraalzwam voor zijn lens kwam was hem duidelijk: hier moesten experts maar eens goed naar kijken. Onder begeleiding van een boswachter van Staatsbosbeheer werd de volgende dag voorzichtig een monster genomen. Dit monster werd voor microscopisch onderzoek is opgestuurd naar de Nederlandse Mycologische Vereniging, specialisten op het gebied van paddenstoelen. Sneller dan verwacht kwam het bericht: die koraalzwam is een Ramaria roellinii, een soort die in Nederland niet eerder werd waargenomen. Bijna gelijktijdig met de vondst in Berkheide werd dezelfde koraalzwam ook op Ameland gevonden.

Zoals alle koraalzwammen lijkt Ramaria roellinii op koraal. Met hun opvallende kleuren springen koraalzwammen vaak flink in het oog in de 'grijze duinen'. Duinlandschappen zijn in Europa nogal schaars en dus leven er ook hele zeldzame soorten die gespecialiseerd zijn in deze omgeving. Zeker op plekken waar het gras kort begraasd wordt door konijnen vind je heel bijzondere soorten dieren, planten, mossen en dus ook paddenstoelen.

Intussen hebben deskundigen besloten om deze zwam de Nederlandse soortnaam steppekoraalzwam te geven. Het is de letterlijke vertaling van de Duitse benaming voor deze koraalzwam. Kennelijk waren de zanderige Aziatische steppes diens oorspronkelijke leefgebied. De steppekoraalzwam is okergeel tot okerbruin van kleur, later vaak ook met groenige of olijfgroenige tinten. De sporen zijn fijn gestekeld, groenig geel.

We leven nu – op het moment van schrijven – in 2022 en het blijkt dat de steppekoraalzwam intussen op alle (bewoonde) Waddeneilanden voorkomt. Aan de Noordzeekust zijn enkele vindplaatsen bekend vanaf Hoek van Holland tot Den Helder.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ramaria, is afgeleid van het Latijnse woord rāmus, wat 'tak' betekent. Het tweede deel, roellinii, eert de Zwitserse mycoloog Oscar Röllin, die de titel 'contrôleur de champignons' draagt. Op de markt in Genève controleert hij iedere vrijdagochtend de aangeboden paddenstoelen op giftigheid. Zo af en toe ontdekt hij daar een apart exemplaar.

De steppekoraalzwam is overigens niet eetbaar, al zou het plukken een misdrijf moeten zijn, waarop zware straffen zouden moeten staan.

Met dank aan Walter Deconinck.

Zeedenmycena

De zeedenmycena (Mycena seynii) behoort tot de plaatjeszwammen. Deze soort leeft sapotroof op het hout van afgevallen kegels van zeedennen (Pinus pinaster) in een habitat van droog zand. Nu die zeedennen nog steeds op de Waddeneilanden groeien zal het geen verbazing wekken dat ook de zeedenmycena op diezelfde eilanden zal voorkomen. Bij afwezigheid van kegels wil de zeedenmycena het soms ook wel eens proberen op op de bodem liggend hout of schors van de zeeden.
De hoed van de zeedenmycena is, zoals veel van zijn familieleden, slechts tot 40 millimeter in doorsnede. De vorm is parabolisch of conisch, maar zal uit eindelijk wat afplatten. Hij lijkt wat doorschijnend gestreept. De kleur van de hoed varieert van paarsachtig bruin tot bruinachtig beige met een kastanjebruin tot donker paarsbruin centrum, vervagend tot een wat groezelige vleeskleur met wijnachtige en gelige tinten. De rand is roze of lila tot vrij donker wijnkleurig. De hoed wordt gedragen door een fragiele steel die tot 70 millimeter lang kan zijn.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Mycena, is te herleiden tot het Oudgriekse woord mykes (μύκης), wat 'schimmel' betekent. Het tweede deel, seynii, eert de Franse botanicus en mycoloog Jules de Seynes (1833-1912).

Het aantal soorten mycena is bijkans ontelbaar en ze zijn ook nog eens bijzonder lastig uit elkaar te houden. De zeedenmycena heeft een verspreidingsgebied dat beperkt is tot het noorden van Noord-Frankrijk, terwijl zijn meest noordelijke aanwezigheid eigenlijk de Waddeneilanden zijn, want in Scandinavië is hij nimmer aangetroffen.

De zeedenmycena geurt zwak, maar aangenaam. De smaak van deze zwam wordt alom als 'onbestemd' beschreven, maar neigt ietwat naar radijs. Van deze soort wordt in ieder geval gemeld dat hij niet giftig is en sommigen melden zelfs dat hij eetbaar is. Maar niemand zal het toch in zijn (of haar) hoofd halen om zo'n piepklein, kwetsbaar zwammetje te plukken en in een gerecht te verwerken? Bovendien is de zeedenmycena ook nog eens behoorlijk zeldzaam.

Kenners melden verder ook nog dat de zeedenmycena verward kan worden met de Roodsnedemycena (Mycena rubromarginata) die nóg zeldzamer is, maar meer in het binnenland te vinden is, al is er ooit een verdwaald exemplaar op Texel aangetroffen. Deze soort groeit niet specifiek op zeedenkegels, maar ja, de zeedenmycena gaat toch ook wel eens vreemd door op een ouwe, afgevallen tak van een zeeden te willen groeien.

Het is tot slot wel vreemd dat Machiel Noordeloos de zeedenmycena niet heeeft opgenomen in zijn 'Paddenstoelen III - Paddenstoelen van de zeereep'. Een omissie.

Perenroest

Perenroest (Gymnosporangium sabinae) wordt niet voor niets ook jeneverbesroest of peer-jeneverbesroest genoemd. Perenroest overwintert op exotische jeneverbesstruiken en stapt daarna over op perenbomen.
De inheemse gewone jeneverbes (Juniperus communis) is ongevoelig voor de aantasting. Wel gevoelig zijn, onder meer, de Chinesche jeneverbes (Juniperus chinensis), de Sabijnse jeneverbes (Juniperus sabina) en de Pfitzer's jeneverbes (Juniperus media), een kruising van de twee voorgaande.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Gymnosporangium, is een driedelig combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar gumnós (γυμνός) 'naakt' betekent, sporá (σπορά) 'zaad' en angeîon (ἀγγεῖον) 'houder'. Het beschrijft de houder waarin asexuele (sorry, klassiek opgevoed) sporen worden gevormd. Het tweede deel, sabinae, wijst natuurlijk op de Sabijnse jeneverbes en die is weer vernoemd naar de Sabijnen, ooit een volksstam in Midden-Italië. Ze zijn uiteindelijk verslagen en geassimileerd door de Romeinen. Wij kennen ze nog van de ontvoering van de Sabijnse Maagden door de Romeinen.

De eerste vraag is natuurlijk of die exotische jeneverbessoorten ook rondom de Waddenzee voorkomen. Het antwoord is positief, want deze soorten worden met treurigstemmende regelmaat in tuinen aangeplant. Ze blijven zo laag dat ze als een bodembedekker werken. Bovendien zijn er van Pfitzer's jeneverbes, een naam die nauwelijks wordt gebruikt, diverse cultivars ontwikkeld. De ene heeft geelgroene bladeren ('Gold Star') en de andere weer helgroene bladeren ('Mint Julep'). Ook allerlei tussenvormen zijn in tuincentra te koop. Met andere woorden: we hebben er zelf voor gezorgd dat perenbomen in Nederland worden aangetast door exotische jeneverbessen in onze tuinen aan te planten.

Perenroest overwintert op de jeneverbes waarop het zelfs enkele jaren kan overleven. Dit in tegenstelling tot de perenboom waarop perenroest slechts één jaar weet te overleven. In het voorjaar kiemen de basidiosporen op de jeneverbes en dringen het weefsel binnen. De roestschimmel vormt op de takken van de jeneverbes oranjegele gelatineuze vruchtlichamen (telia) waarin zogenaamde teleutosporen (ook teliosporen genoemd) worden gevormd. Die sporen proberen in het begin van de zomer perenbomen te besmetten in een straal van 500 meter rondom de besmettingsbron.

Enkele dagen na de infectie van een perenboom ontstaan aan de bovenzijde van de bladeren bekervormige organen met pycniden, ook wel spermogoniën genoemd. In deze fase worden de zogenaamde pycniosporen gevormd. Ontwikkeling van perenroest vindt alleen plaats bij warm, droog weer en besmetting bij een temperatuur tussen 15 en 25°C. Ook een nat voorjaar is belangrijk voor de ontwikkeling van de schimmel.

Perenroest is voor de perenboom niet levensbedreigend en veroorzaakt hoogstens wat bladval, al is er wel enige negatieve invloed op de perenproductie.

Daarna vormen zich aan de onderkant van het blad gezwellen. Uit deze gezwellen komen in de maanden juli en augustus de aeciosporen vrij die voor een nieuwe besmetting bij de jeneverbessen zorgen, waarna de cyclus opniew kan beginnen.

Groene anijstrechterzwam

Qua verspreiding komt de groene anijstrechterzwam (Clitocybe odora) vooral voor in de oostelijke delen van Nederland. Daar is een reden voor: deze soort houdt niet zo van zware zeeklei. Het gevolg van die voorkeur (of afkeur) is dat de groene anijstrechterzwam juist wel weer enkele vindplaatsen in de vaak zanderige kustgebieden heeft. De groene anijstrechterzwam leeft in groepen op strooisel in vooral gemengde bossen. Minder algemeen is hij in naaldbossen. Omdat Staatsbosbeheer meent dat dennen op de Waddeneilanden exoten zijn en ze daarom rigoreus wegkappen, maken dennen plaats voor loofbomen. Dat is vermoedelijk de reden dat we hem in toenemende mate op de Waddeneilanden kunnen aantreffen.
[Image: Holger Krisp - Groene anijstrechterzwam]

De groene anijstrechterzwam heeft een hoed die een maximale doorsnede heeft van zo'n negen centimeter. Wanneer de zwam nog jong is, is die hoed gewelfd, later vervormd deze tot min of meer vlak of ietwat trechtervormig. In het centrum is soms een umbo ('schildknop') te zien. Die hoed is vaalgrijzig groen (of vaalgroenig grijs), maar er zit ook zeker een behoorlijke blauwe zweem in de kleur. Later kan hij wat naar bruin verkleuren. De tot een centimeter dikke steel is vrijwel net zo lang als de hoed breed is. De basis is wat verdikt, terwijl er geen velum ('membraan') aanwezig is.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Clitocybe, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar klitús (κλιτύς) 'heuvel' of 'glooiing' betekende en kúbē (κύβη) 'kop'. Samengevoegd is dat dus 'golvende hoed', daarmee verwijzend naar de hoed van sommige paddenstoelen van dit geslacht die soms heel duidelijk zichtbare afhangende of afhellende randen hebben en zo enigszins trechtervormig zijn. Het tweede deel, odora, is afkomstig uit het Oudlatijn, waar odōs 'geur' betekende en dat zelfs hier nog voorkomt als 'odeur'.

De geur en smaak van de groene anijstrechterzwam doen zijn naam eer aan: hij geurt en smaakt opvallend sterk naar anijs. Het is een goede eetbare paddenstoel en kan óf met uien worden gebakken óf in risotto's, soepen en vele andere paddenstoelengerechten worden gebruikt. De anijssmaak komt bijzonder goed tot zijn recht wanneer deze paddenstoelen worden verwerkt tot een saus bij schol, kabeljauw of andere soorten witvis. Ook gedroogd kunnen ze in veel gerechten worden toegepast.

Wees echter voorzichtig en pluk alleen volwassen exemplaren. Jong kan de anijsgroene trechterzwam gemakkelijk verward worden met andere, soms giftige soorten die in de directe nabijheid van de groene anijstrechterzwam groeien. Kijk ook goed of de paddenstoelen niet bevolkt wordt door larven van allerhande insecten. Daar heeft 'ie nogal eens last van.

Om het nog wat ingewikkelder te maken onderscheidt men tegenwoordig een drietal ondersoorten: de Clitocybe odora odora (de 'oervorm'), de Clitocybe odora fallax (met een geelbruine hoed) en de Clitocybe odora alba (met een vaalwitte hoed).

Blauwe korstzwam

Korstzwammen kunnen zich in prachtige kleuren hullen, zoals we al eerder hebben gezien met de paarse korstzwam (Chondrostereum purpureum). In Engelstalige landen noemen ze hem met iets meer respect voor de diepblauwe kleur de cobalt crust ofwel de 'kobalt(kleurige) korst(zwam)'.
De blauwe korstzwam leeft op (en van) rottende, dode staande of liggende stammen, op hangende of liggende takken, zelfs op stapels hout of op blootliggende wortels. Het liefst doet hij dat op loofhout, zoals van eik, es, esdoorn, hazelnoot of wilg.

Het vruchtlichaam van de blauwe korstzwam vormt membraanachtige, fluweelachtige of (bij vochtige omstandigheden) wasachtige vruchtlichamen met een opvallende violetblauwe tot bijna koningsblauwe kleur, die naar de randen toe wat fletser wordt. Het oppervlak van het vruchtlichaam is glad tot licht wrattig en is maximaal zes centimeter dik. Het oppervlak van deze soort is meestal naar beneden gericht, wat uiteraard de verspreiding van sporen bevordert. Verschillende exemplaren kunnen zich samenvoegen tot laagjes van wel een meter lang.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Terana, is afgeleid van het Oudgriekse woord térsomai (τέρσομαι), wat zoiets betekent als 'opdrogen'. Het tweede deel, coerulea, betekent niet, zoals alom op internet wordt beweerd 'blauw', maar is afgeleid van het Latijnse caelum, wat 'hemel' betekent en waarmee via via toch de kleur '(hemels)blauw' wordt omschreven.

Deze soort houdt van een warme omgeving en komt dus algemeen voor in Mediterrane streken. De opwarming van de aardkloot zou de blauwe korstzwam dus kunnen helpen om zich in noordelijke richting uit te breiden, zo zou je denken. Er zijn echter ook andere oorzaken denkbaar (gesleep met hout of toeristen die per ongeluk de sporen hebben meegenomen). De eerste waarneming in Nederland van de blauwe korstzwam stamt uit 1974 en daardoor lijkt mij dat die door diverse deskundigen aangedragen oorzaak minder aannemelijk is. In het Waddengebied is Texel het eerste eiland dat de blauwe korstzwam mocht verwelkomen.

Ondanks het feit dat de blauwe korstzwam van warme omstandigheden zou houden, komt de deze soort in Nederland vooral tijdens de wintermaanden voor.

Dat de blauwe korstzwam de laatste jaren minder zeldzaam lijkt te worden wijten diezelfde deskundigen aan de uitbraak van het coronavirus. Daardoor zouden mensen vaker de natuur ingaan en daardoor vaker die korstzwam opmerken. Het lijkt mij een wat vreemde en onwetenschappelijke redenatie, want deze soort kan toch simpelweg vaker gezien worden, omdat hij vaker voorkomt?

Mocht je benieuwd zijn naar de eetbaarheid, dan kan ik je gerust stellen: geen geur, geen smaak, taai in droge toestand en wasachtig in vochtige toestand. Oneetbaar dus.

Paarse dennenzwam

Waar je dennen hebt, heb je ook de paarse dennenzwam (Trichaptum abietinum). Deze zwam is namelijk sapotroof en saprofyt op naaldhout, waarop hij na het afsterven van de boom of afvallen van de tak vaak als een der eerste soort paddenstoelen verschijnt. De paarse dennenzwam kan een liggende stam met vaak meterslange dunne stroken bedekken. De paarse dennenzwam komt voor op zandgronden in grote delen van Europa. Onopgemerkt voor de toeschouwer veroorzaakt deze soort witrot.
[Image: Lucien Rommelaars - Paarse dennenzwam]

Het eenjarige vruchtlichaam bestaat uit hoedjes die korstvormig op het substraat groeien. Soms gebeurt dat solitair, maar meestal in lange stroken. Individuele exemplaren zijn van bovenaf gezien tot acht centimeter breed en niet meer dan twee centimeter afstaand. Deze dunne, leerachtige, hoeden zijn meestal als dakpannen op elkaar geplaatst of aan de zijkant vergroeid. De witachtig grijze bovenzijde is viltig behaard en concentrisch gezoneerd. Naarmate de vruchtlichamen ouder worden, worden ze kaal en vaak groen van algengroei. De rand is scherp en vaak helderpaars getint. Deze verkleurt echter naar okerachtig met wat violette tinten aan de groeiranden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Trichaptum, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar thríx (θρίξ) 'haar' betekende en háptō (ἅπτω) 'vastmaken'. Samengebald bedoelde de naamgever ermee dat dit geslacht met haren aan de ondergrond lijkt te zitten. Het tweede deel, abietinum, is te herleiden tot het Latijnse Abies, wat de geslachtsnaam van zilversparren is.

Het zeer dunne, maar toch duidelijk gelaagde vlees heeft een leerachtige, vezelige en taaie consistentie en geen kenmerkende geur en smaak. Hoewel de aanwezigheid van gifstoffen onbekend is, kunnen we gevoegelijk aannemen dat deze soort oneetbaar is.

De paarse dennenzwam is onderwerp van onderzoek geweest in verband met de bestrijding van blauwalgen in min of meer stilstaand water[1][2]. In voedselrijk water in de warme zomermaanden in korte tijd zoveel blauwalgen groeien dat deze alle zuurstof wegnemen, waardoor het natuurlijk evenwicht in het water wordt verstoord. De term 'blauwalg' is echter niet juist, omdat blauwalgen niet behoren tot de echte algen, maar tot een aparte klasse bacteriën. De naam Cyanobacteria is beter en is afgeleid van de blauwe kleurstof fycocyanine die deze groep kenmerkt.

De meeste soorten Cyanobacteria zijn blauwgroen, maar de natuur is onberekenbaar en laat zich niet zo snel in een hokje plaatsen. Sommige soorten Cyanobacteria in de Rode Zee zijn roodbruin als gevolg van het biopigment fycoërytrine. De bacterie Planktothrix rubescens kleurt water weer roodpaars en veroorzaakt een fenomeen dat de naam Bourgondisch bloed draagt.

[1] Yia et al: The efficacy and mechanisms of fungal suppression of freshwater harmful algal bloom species in Journal of Hazardous Materials – 2010
[2] The possibility of using cyanobacterial bloom materials as a medium for white rot fungi in Letters of Applied Microbiology – 2012

Beukendopgeweizwam

De beukendopgeweizwam (Xylaria carpophila) doet zijn naam eer aan, omdat het een geweizwammetje is dat groeit in en op de napjes van de op de grond gevallen beukenootjes. Het is dus een specialist en het is een goede, want de beukendopgeweizwam komt redelijk algemeen voor in heel Nederland. Geen wonder, zo zul je opmerken, want beukenbomen (Fagus sylvatica) komen ook in het hele land voor. Toch moet je het als zwam maar voor elkaar krijgen om je microscopisch kleine sporen precies in een beukenootje te laten landen.
[Image: bjoems - Beukendopgeweizwam]

Deze soort groeit vaak in groepjes en je kunt hem eigenlijk het hele jaar wel aantreffen.

Het vruchtlichaam van de beukendopgeweizwam is slechts enkele centimeters hoog met een doorsnede van maximaal twee millimeter. Dat vruchtlichaam groeit ietwat kronkelend omhoog en is niet of nauwelijks vertakt. Het oppervlakte van de conisch gevormde top – je mag het nauwelijks een hoed noemen – is met fijn poeder bedekt. De bovenste helft van die top is eerst zwam, maar verkleurt later tot wit. De onderste helft is en blijft grijs. Als de beukendopgeweizwam rijp is geworden dan blijkt dat de bovenste helft peritheciën (kleine holtes) gevormd zijn die met een grijze gelei gevuld zijn.

De beukendopgeweizwam is sapotroof, wat betekent dat deze soort zijn voedingsstoffen uit dood organische materiaal haalt. Aangezien hij daarbij de nutteloos geworden napjes van de beukenoot gebruik doet hij dus aan recycling.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Xylaria, is afgeleid van het Oudgriekse woord xýlon (ξύλον), wat 'hout' betekent. Het tweede deel, carpophila, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar karpós (καρπός) 'fruit' of 'oogst' betekende en verwant is aan keírō (κείρω) 'afsnijden', terwijl het tweede deel, philía (φιλία) 'vriendschap' of 'liefde voor' was. Samen is dat dus 'houdt van (afgevallen) fruit'.

Het zal de lezer niet verbazen dat alom wordt gedacht dat de kleine beukendopgeweizwammen niet eetbaar zijn. Geen idee waarom je dat ook zou proberen, maar niets menselijks is de mens vreemd. Hij ruikt in ieder geval onopvallend.

Maar is er een reden waarom kleine zwammen toch groots kunnen zijn. Er wordt namelijk onderzoek verricht naar de positieve effecten van de beukendopgeweizwam bij de aanpak van een vervelende plantenziekte met de naam anthracnose[1]. Die wordt gewoonlijk veroorzaakt door diverse schimmels die het gemunt hebben op belangrijke gewassen als chilipepers (Capsicum annuum) en guarana (Paullinia cupana). Op dit moment wordt dat tegengegaan met de gifspuit, maar het blijkt dat de beukendopgeweizwam stofjes aanmaakt die die schimmels bestrijden.

[1] Eleias et al: The potential of compounds isolated from Xylaria spp. as antifungal agents against anthracnose in Brazilian Journal of Microbiology – 2018. Zie hier.

Dennenvoetzwam

Sommige namen van paddenstoelen zijn nogal verwarrend. Zo heb je de dennenbloedzwam (Stereum sanguinolentum), maar ook de dennenvoetzwam (Phaeolus schweinitzii). De dennenvoetzwam groeit op of nabij levende naaldbomen of (dode) stobben. Deze paddenstoel is necrotroof, wat betekent dat een geinfecteerde (levende) naaldboom van binnenuit en aan de wortels wegrot. Hierdoor sterft de boom aan stamvoetrot of bruinrot, waarbij cellulose wegteert.
[Image: James Lindsey - Dennenvoetzwam]

In Nederland komt de dennenvoetzwam algemeen voor in naaldbossen op zandgronden. Dat betekent dat deze soort ook op de Waddeneilanden te vinden is. Overigens heeft de dennenvoetzwam een uitgesproken voorkeur voor douglassparren (Pseudotsuga menziesii) en dat is een exotische soort die inheems is in Noord-Amerika. Bij afwezigheid van die douglasspar neemt hij genoegen met de zeeden (Pinus pinaster), die ook al een exoot is. Op de Waddeneilanden zal de dennenvoetzwam het steeds lastiger krijgen, want daar worden zeedennen door Staatsbosbeheer de laatste jaren weggesaneerd. De vaderlandse natuur moet weer de ruimte krijgen op de eilanden, al groeide er tot het begin van de 20e eeuw op de meeste Waddeneilanden nauwelijks een boom en had het stuifzand vrij spel. Er wordt dus opnieuw een illusie aangeplant.

De dennenvoetzwam leeft meestal solitair, maar soms ook met elkaar vergoeid. In de nazomer en vroege herfst verschijnen eenjarige vruchtlichaamen die bestaan uit behoorlijk grote hoeden met een diameter die wel 25 centimeter kan bedragen. Het oppervlak van die hoed in min of meer vlak, al kan deze ook ietwat verdiept zijn. Dat oppervlak voelt bij aanraking viltig aan. Jonge exemplaren zijn opvallend mosterdgeel. Binnen enkele weken, als de paddenstoel volgroeid is, wordt de hoed kleverig van een uitgescheiden harsachtige substantie en wordt de kleur donkerder, eerst donker roestbruin, later zelfs tot zwart. Aanvankelijk heeft die hoed nog een zwavelkleurige rand. Uiteindelijk wordt het vruchtlichaam hard en geheel zwart. De steel is (soms) excentrisch aan de hoed bevestigd. De witte sporen zitten in buisjes onder in de hoed.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Phaeolus, is afgeleid van het Oudgriekse phaiós (φαιός), wat 'donker' of 'duister' betekende. Het verklaart de verkleuring tot vrijwel zwart aan het einde van het leven van dit geslacht. Het tweede deel, schweinitzii, eert de Amerikaanse botanist annex mycoloog Lewis David von Schweinitz (1780-1834), die volgens sommigen als de vader van de Amerikaanse paddenstoelkunde wordt gezien.

Uit deze paddenstoel wist men in vroeger tijden diverse kleurstoffen te winnen om garen in te kleuren. Afhankelijk van de leeftijd van de dennenvoetzwam kon men verschillende tinten geel, oranje en bruin produceren.

De dennenvoetzwam heeft een nauwelijks waarneembare geur en een wat bittere smaak.

Inktviszwam

De inktviszwam (Clathrus archeri) is een exoot die zich langzaam over Nederland lijkt te verspreiden. Texel is het eerste Waddeneiland waarop deze zwam voor het eerst in 2004 gesignaleerd is.
[Image: Steveb68 - Inktviszwam]

Met een naam als de inktviszwam verwacht je een paddestoel met een uitzonderlijk uiterlijk en deze keer is je verwachting geheel terecht. De jonge paddenstoel ontplooit zich vanuit een op de grond liggend ei (in zijn thuisland een witch's egg ofwel 'heksenei' genoemd) en vormt vier tot zeven slanke lange armen. Die armen zijn in eerste instantie met de toppen aan elkaar verbonden. Daarna ontvouwen die armen zich en laten een roze rode binnenkant zien waarop kaki-kleurige gleba (vlezige sporenbevattende massa's) te zien zijn. Het totale beeld doet inderdaad denken aan een op zijn rug liggende inktvis. Maar wel eentje die niet helemaal meer in goeden doen is, want de inktviszwam staat bekend om zijn misselijkmakende geur van rottend vlees.

De soort is inheems in Australië en Tasmanië. De inktviszwam voelt zich het beste thuis in wat vochtige, wat beschaduwde weilanden, maar hij laat zich ook niet uit het veld slaan als hij moet opgroeien in een licht beboste omgeving. Dat opgroeien doet hij van juli tot september.

Officieel is het onbekend hoe de inktviszwam hier in Nederland terecht is gekomen. Zijn eerste waarneming in Nederland stamt uit 1921, maar in Engeland is hij al in 1914 voor het eerst aangetroffen. Dat laatste jaartal doet vermoeden dat de sporen onder de zolen van Australische soldaten zijn meegelift toen die in de Eerste Wereldoorlog in de loopgraven van België en Noord-Frankrijk hun leven moesten wagen om Europa te bevrijden van de Duitsers.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Clathrus, is afgeleid van het Oudgriekse kleithron (κλειθρον), wat 'kluis' heeft betekend met als uiteindelijke bron kleíō (κλείω) '(af)sluiten'. Sommige soorten lijken inderdaad op een kluis. Het tweede deel, archeri, eert de Ierse mycoloog Alan W. Archer (1930).

De inktviszwam schijnt volgens sommige 'kenners' zelfs eetbaar te zijn al wordt zijn smaak als extreem vies getypeerd en alleen vliegen lijken de kadavergeur een heerlijk aroma te vinden. Het ei, waaruit hij ontspruit, ruikt en smaakt een beetje naar radijs. En dat wordt alom als enige eetbare stadium aangemerkt. Toch wordt voorzichtigheidshalve maar gemeld dat je de inktviszwam pas op je menu moet zetten als je verdwaald bent in de wildernis en er geen Albert Heijn in de buurt is.

Intussen voelt de inktviszwam zich niet meer zo eenzaam, want het eerste familielid heeft zich ook in ons land gevestigd: de traliestinkzwam (Clathrus ruber).

Bittere kaaszwam

De bittere kaaszwam (Postia stiptica) heeft in ons land een wat vreemde verspreiding: de soort komt vooral voor in het oosten van het land en lijkt bovendien een voorkeur te hebben voor de kustgebieden. Kennelijk houdt de bittere kaaszwam niet van zware zeeklei, maar naaldbomen houden daar ook niet echt van en juist daarop groeit de bittere kaaszwam. Naaldbomen houden weer niet van de bittere kaaszwam, want die veroorzaakt bruinrot op dood materiaal.
[Image: Natalia Demchenko - Bittere kaaszwam]

Het vruchtlichaam van de bittere kaaszwam is waaiervormig of hoedvormig met een sponzige structuur. Individuele hoeden zijn tot 12 centimeter breed met een meestal glad oppervlak en met een ietwat getande rand. De onderzijde heeft soms kleine poriën, een structuur die mycologen poroïd plegen te noemen. De kleur van de hoed is ivoorwit.

Bittere kaaszwammen leven solitair of in groepen. Het is immers maar net waar de sporen terecht gekomen zijn.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Postia, is afgeleid van het Latijnse woord positus, wat perfect naar het Nederlandse woord 'positie' vertaald kan worden. Het tweede deel, stiptica, kunnen we herleiden tot het Oudgriekse woord stuptikós (στυπτικός), wat 'samentrekken' betekende. Er werd ooit gedacht dat (een extract van) de bittere kaaszwam het bloeden zou kunnen stelpen.

De bittere kaaszwam heeft een sterke zwammige en ietwat zurige geur. Mocht je hem even willen proeven dan ontdek je al snel waarom hij de naam bittere kaaszwam draagt: deze soort is namelijk enorm bitter. Zo bitter zelfs dat hij alom oneetbaar wordt geacht.

Er is maar weinig belangstelling van de wetenschap voor de eventuele effecten van de bittere kaaszwam op het menselijk lichaam. Een onderzoek bracht aan het licht dat een extract van de bittere kaaszwam diverse vervelende bacteriestammen wist te doden (However, complete inhibition of bacterial growth was seen for Postia stiptica)[1].

Een ander onderzoek toonde aan dat een extract van de bittere kaaszwam een beperkt vaatvernauwend effect heeft[2]. In de medische wereld noemt men dat een ACE-remmer. Het zijn medicijnen die de werking van een bepaald enzym, het angiotensine-converterend enzym (ACE), in de weefsels en het bloedplasma remmen. Ze worden bijvoorbeeld voorgeschreven bij gevallen van hoge bloeddruk en chronisch hartfalen. Maar heb ik niet zo heel veel vertrouwen in het vakblad waarin dit onderzoek werd gepubliceerd.

[1] Tamraker et al: Antibacterial activity of Nepalese wild mushrooms against Staphylococcus aureus and Propionibacterium acnes in Journal of Wood Sciences - 2017. Zie hier.
[2] Bang et al: Wild Mushrooms in Nepal: Some Potential Candidates as Antioxidant and ACE-Inhibition Sources in Evidence-Based Complementary and Alternative Medicine - 2014. Zie hier.