Rode heidelucifer

De rode heidelucifer (Cladonia floerkeana) is een staafvormig korstmos uit de familie van de Cladoniaceae (rendiermosachtigen) dat vrij algemeen voorkomt in lichte bossen, heiden, stuifzanden en duinen.
Meer specifiek houdt de rode heidelucifer van zuur strooisel, ruwe humus en kaal zand, maar je komt hem ook tegen op rottend hout en boomstronken en soms zelfs op rieten daken. Daarnaast komt de soort veel voor op de schors van berken en grove dennen en op goed belichte takken van zomereiken. Op de verspreidingskaart zie je die voorkeur duidelijk terug: alleen op zandgronden tref je het rode heidelucifertje aan. Op de Waddeneilanden is dit korstmos tot nu toe alleen op Terschelling aangetroffen.

Het staafvormige tot vertakte thallus meet maximaal twee centimeter en is grijs met rode apotheciën (de duidelijk gevormde, enkelvoudige of samengevoegde, bekerachtige structuren). De grondschubben zijn helder grijs, meestal dakpansgewijs afstaand. De podetiën (de rechtopstaande, holle delen) zijn staafvormig tot knotsvormig, meestal vertakt met grove sorediën (de organen die bestaan uit een los weefsel van hyfen met algencellen) aan het oppervlak en aan de top veel afstaande grijze schubben. Aan de top bevinden zich ook de apotheciën en zijn vaak zwarte of rode puntvormige pycnidiën (de kogel- tot flesvormige vruchtlichamen) zichtbaar.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Cladonia, is geleend uit het Oudgrieks, waar kládos (κλάδος) 'tak' of 'twijg' betekent. Het verwijst naar de karakteristieke vertakte of struikachtige structuur van de podetia bij veel soorten van het geslacht. Het tweede deel, floerkeana, eert de Duitse botanist en lichenoloog (korstmoskundige) Heinrich Gustav Flörke (1764-1835).

De vruchtlichamen van de rode heidelucifer zitten vol met sporen. Korstmossen kunnen extreme omstandigheden en standplaatsen overleven, omdat het samenwerkingsvormen zijn tussen verschillende organismen die als het ware hun sterke punten combineren.

De rode heidelucifer produceert barbatinezuur en didyminezuur als belangrijkste verbindingen, maar soms ook thamnolzuur. Rhodocladonzuur, een felrood pigment, wordt aangetroffen in het hymeniumweefsel van apothecia. Deze verbindingen spelen een rol in de natuurlijke afweer van korstmossen en mogelijk ook in ecologische signalering.
Deze soort heeft een aanzienlijke genetische diversiteit en deze potentiële plasticiteit stelt haar in staat zich aan te passen aan diverse en uitdagende habitats.

De naam rode heidelucifer doet wellicht denken aan een heidebrand, maar da's niet juist. Het verklaart slechts zijn uiterlijk. Het is echter wel een van de eerste soorten die opkomen ná een allesverwoestende brand. Het is een echte pionier in voedselarme omgevingen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten