Zeedenmycena
De hoed van de zeedenmycena is, zoals veel van zijn familieleden, slechts tot 40 millimeter in doorsnede. De vorm is parabolisch of conisch, maar zal uit eindelijk wat afplatten. Hij lijkt wat doorschijnend gestreept. De kleur van de hoed varieert van paarsachtig bruin tot bruinachtig beige met een kastanjebruin tot donker paarsbruin centrum, vervagend tot een wat groezelige vleeskleur met wijnachtige en gelige tinten. De rand is roze of lila tot vrij donker wijnkleurig. De hoed wordt gedragen door een fragiele steel die tot 70 millimeter lang kan zijn.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Mycena, is te herleiden tot het Oudgriekse woord mykes (μύκης), wat 'schimmel' betekent. Het tweede deel, seynii, eert de Franse botanicus en mycoloog Jules de Seynes (1833-1912).
Het aantal soorten mycena is bijkans ontelbaar en ze zijn ook nog eens bijzonder lastig uit elkaar te houden. De zeedenmycena heeft een verspreidingsgebied dat beperkt is tot het noorden van Noord-Frankrijk, terwijl zijn meest noordelijke aanwezigheid eigenlijk de Waddeneilanden zijn, want in Scandinavië is hij nimmer aangetroffen.
De zeedenmycena geurt zwak, maar aangenaam. De smaak van deze zwam wordt alom als 'onbestemd' beschreven, maar neigt ietwat naar radijs. Van deze soort wordt in ieder geval gemeld dat hij niet giftig is en sommigen melden zelfs dat hij eetbaar is. Maar niemand zal het toch in zijn (of haar) hoofd halen om zo'n piepklein, kwetsbaar zwammetje te plukken en in een gerecht te verwerken? Bovendien is de zeedenmycena ook nog eens behoorlijk zeldzaam.
Kenners melden verder ook nog dat de zeedenmycena verward kan worden met de Roodsnedemycena (Mycena rubromarginata) die nóg zeldzamer is, maar meer in het binnenland te vinden is, al is er ooit een verdwaald exemplaar op Texel aangetroffen. Deze soort groeit niet specifiek op zeedenkegels, maar ja, de zeedenmycena gaat toch ook wel eens vreemd door op een ouwe, afgevallen tak van een zeeden te willen groeien.
Het is tot slot wel vreemd dat Machiel Noordeloos de zeedenmycena niet heeeft opgenomen in zijn 'Paddenstoelen III - Paddenstoelen van de zeereep'. Een omissie.
Perenroest
De inheemse gewone jeneverbes (Juniperus communis) is ongevoelig voor de aantasting. Wel gevoelig zijn, onder meer, de Chinesche jeneverbes (Juniperus chinensis), de Sabijnse jeneverbes (Juniperus sabina) en de Pfitzer's jeneverbes (Juniperus media), een kruising van de twee voorgaande.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Gymnosporangium, is een driedelig combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar gumnós (γυμνός) 'naakt' betekent, sporá (σπορά) 'zaad' en angeîon (ἀγγεῖον) 'houder'. Het beschrijft de houder waarin asexuele (sorry, klassiek opgevoed) sporen worden gevormd. Het tweede deel, sabinae, wijst natuurlijk op de Sabijnse jeneverbes en die is weer vernoemd naar de Sabijnen, ooit een volksstam in Midden-Italië. Ze zijn uiteindelijk verslagen en geassimileerd door de Romeinen. Wij kennen ze nog van de ontvoering van de Sabijnse Maagden door de Romeinen.
De eerste vraag is natuurlijk of die exotische jeneverbessoorten ook rondom de Waddenzee voorkomen. Het antwoord is positief, want deze soorten worden met treurigstemmende regelmaat in tuinen aangeplant. Ze blijven zo laag dat ze als een bodembedekker werken. Bovendien zijn er van Pfitzer's jeneverbes, een naam die nauwelijks wordt gebruikt, diverse cultivars ontwikkeld. De ene heeft geelgroene bladeren ('Gold Star') en de andere weer helgroene bladeren ('Mint Julep'). Ook allerlei tussenvormen zijn in tuincentra te koop. Met andere woorden: we hebben er zelf voor gezorgd dat perenbomen in Nederland worden aangetast door exotische jeneverbessen in onze tuinen aan te planten.
Perenroest overwintert op de jeneverbes waarop het zelfs enkele jaren kan overleven. Dit in tegenstelling tot de perenboom waarop perenroest slechts één jaar weet te overleven. In het voorjaar kiemen de basidiosporen op de jeneverbes en dringen het weefsel binnen. De roestschimmel vormt op de takken van de jeneverbes oranjegele gelatineuze vruchtlichamen (telia) waarin zogenaamde teleutosporen (ook teliosporen genoemd) worden gevormd. Die sporen proberen in het begin van de zomer perenbomen te besmetten in een straal van 500 meter rondom de besmettingsbron.
Enkele dagen na de infectie van een perenboom ontstaan aan de bovenzijde van de bladeren bekervormige organen met pycniden, ook wel spermogoniën genoemd. In deze fase worden de zogenaamde pycniosporen gevormd. Ontwikkeling van perenroest vindt alleen plaats bij warm, droog weer en besmetting bij een temperatuur tussen 15 en 25°C. Ook een nat voorjaar is belangrijk voor de ontwikkeling van de schimmel.
Perenroest is voor de perenboom niet levensbedreigend en veroorzaakt hoogstens wat bladval, al is er wel enige negatieve invloed op de perenproductie.
Daarna vormen zich aan de onderkant van het blad gezwellen. Uit deze gezwellen komen in de maanden juli en augustus de aeciosporen vrij die voor een nieuwe besmetting bij de jeneverbessen zorgen, waarna de cyclus opniew kan beginnen.
Groene anijstrechterzwam
| [Image: Holger Krisp - Groene anijstrechterzwam] |
De groene anijstrechterzwam heeft een hoed die een maximale doorsnede heeft van zo'n negen centimeter. Wanneer de zwam nog jong is, is die hoed gewelfd, later vervormd deze tot min of meer vlak of ietwat trechtervormig. In het centrum is soms een umbo ('schildknop') te zien. Die hoed is vaalgrijzig groen (of vaalgroenig grijs), maar er zit ook zeker een behoorlijke blauwe zweem in de kleur. Later kan hij wat naar bruin verkleuren. De tot een centimeter dikke steel is vrijwel net zo lang als de hoed breed is. De basis is wat verdikt, terwijl er geen velum ('membraan') aanwezig is.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Clitocybe, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar klitús (κλιτύς) 'heuvel' of 'glooiing' betekende en kúbē (κύβη) 'kop'. Samengevoegd is dat dus 'golvende hoed', daarmee verwijzend naar de hoed van sommige paddenstoelen van dit geslacht die soms heel duidelijk zichtbare afhangende of afhellende randen hebben en zo enigszins trechtervormig zijn. Het tweede deel, odora, is afkomstig uit het Oudlatijn, waar odōs 'geur' betekende en dat zelfs hier nog voorkomt als 'odeur'.
De geur en smaak van de groene anijstrechterzwam doen zijn naam eer aan: hij geurt en smaakt opvallend sterk naar anijs. Het is een goede eetbare paddenstoel en kan óf met uien worden gebakken óf in risotto's, soepen en vele andere paddenstoelengerechten worden gebruikt. De anijssmaak komt bijzonder goed tot zijn recht wanneer deze paddenstoelen worden verwerkt tot een saus bij schol, kabeljauw of andere soorten witvis. Ook gedroogd kunnen ze in veel gerechten worden toegepast.
Wees echter voorzichtig en pluk alleen volwassen exemplaren. Jong kan de anijsgroene trechterzwam gemakkelijk verward worden met andere, soms giftige soorten die in de directe nabijheid van de groene anijstrechterzwam groeien. Kijk ook goed of de paddenstoelen niet bevolkt wordt door larven van allerhande insecten. Daar heeft 'ie nogal eens last van.
Om het nog wat ingewikkelder te maken onderscheidt men tegenwoordig een drietal ondersoorten: de Clitocybe odora odora (de 'oervorm'), de Clitocybe odora fallax (met een geelbruine hoed) en de Clitocybe odora alba (met een vaalwitte hoed).
Blauwe korstzwam
De blauwe korstzwam leeft op (en van) rottende, dode staande of liggende stammen, op hangende of liggende takken, zelfs op stapels hout of op blootliggende wortels. Het liefst doet hij dat op loofhout, zoals van eik, es, esdoorn, hazelnoot of wilg.
Het vruchtlichaam van de blauwe korstzwam vormt membraanachtige, fluweelachtige of (bij vochtige omstandigheden) wasachtige vruchtlichamen met een opvallende violetblauwe tot bijna koningsblauwe kleur, die naar de randen toe wat fletser wordt. Het oppervlak van het vruchtlichaam is glad tot licht wrattig en is maximaal zes centimeter dik. Het oppervlak van deze soort is meestal naar beneden gericht, wat uiteraard de verspreiding van sporen bevordert. Verschillende exemplaren kunnen zich samenvoegen tot laagjes van wel een meter lang.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Terana, is afgeleid van het Oudgriekse woord térsomai (τέρσομαι), wat zoiets betekent als 'opdrogen'. Het tweede deel, coerulea, betekent niet, zoals alom op internet wordt beweerd 'blauw', maar is afgeleid van het Latijnse caelum, wat 'hemel' betekent en waarmee via via toch de kleur '(hemels)blauw' wordt omschreven.
Deze soort houdt van een warme omgeving en komt dus algemeen voor in Mediterrane streken. De opwarming van de aardkloot zou de blauwe korstzwam dus kunnen helpen om zich in noordelijke richting uit te breiden, zo zou je denken. Er zijn echter ook andere oorzaken denkbaar (gesleep met hout of toeristen die per ongeluk de sporen hebben meegenomen). De eerste waarneming in Nederland van de blauwe korstzwam stamt uit 1974 en daardoor lijkt mij dat die door diverse deskundigen aangedragen oorzaak minder aannemelijk is. In het Waddengebied is Texel het eerste eiland dat de blauwe korstzwam mocht verwelkomen.
Ondanks het feit dat de blauwe korstzwam van warme omstandigheden zou houden, komt de deze soort in Nederland vooral tijdens de wintermaanden voor.
Dat de blauwe korstzwam de laatste jaren minder zeldzaam lijkt te worden wijten diezelfde deskundigen aan de uitbraak van het coronavirus. Daardoor zouden mensen vaker de natuur ingaan en daardoor vaker die korstzwam opmerken. Het lijkt mij een wat vreemde en onwetenschappelijke redenatie, want deze soort kan toch simpelweg vaker gezien worden, omdat hij vaker voorkomt?
Mocht je benieuwd zijn naar de eetbaarheid, dan kan ik je gerust stellen: geen geur, geen smaak, taai in droge toestand en wasachtig in vochtige toestand. Oneetbaar dus.
Paarse dennenzwam
| [Image: Lucien Rommelaars - Paarse dennenzwam] |
Het eenjarige vruchtlichaam bestaat uit hoedjes die korstvormig op het substraat groeien. Soms gebeurt dat solitair, maar meestal in lange stroken. Individuele exemplaren zijn van bovenaf gezien tot acht centimeter breed en niet meer dan twee centimeter afstaand. Deze dunne, leerachtige, hoeden zijn meestal als dakpannen op elkaar geplaatst of aan de zijkant vergroeid. De witachtig grijze bovenzijde is viltig behaard en concentrisch gezoneerd. Naarmate de vruchtlichamen ouder worden, worden ze kaal en vaak groen van algengroei. De rand is scherp en vaak helderpaars getint. Deze verkleurt echter naar okerachtig met wat violette tinten aan de groeiranden.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Trichaptum, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar thríx (θρίξ) 'haar' betekende en háptō (ἅπτω) 'vastmaken'. Samengebald bedoelde de naamgever ermee dat dit geslacht met haren aan de ondergrond lijkt te zitten. Het tweede deel, abietinum, is te herleiden tot het Latijnse Abies, wat de geslachtsnaam van zilversparren is.
Het zeer dunne, maar toch duidelijk gelaagde vlees heeft een leerachtige, vezelige en taaie consistentie en geen kenmerkende geur en smaak. Hoewel de aanwezigheid van gifstoffen onbekend is, kunnen we gevoegelijk aannemen dat deze soort oneetbaar is.
De paarse dennenzwam is onderwerp van onderzoek geweest in verband met de bestrijding van blauwalgen in min of meer stilstaand water[1][2]. In voedselrijk water in de warme zomermaanden in korte tijd zoveel blauwalgen groeien dat deze alle zuurstof wegnemen, waardoor het natuurlijk evenwicht in het water wordt verstoord. De term 'blauwalg' is echter niet juist, omdat blauwalgen niet behoren tot de echte algen, maar tot een aparte klasse bacteriën. De naam Cyanobacteria is beter en is afgeleid van de blauwe kleurstof fycocyanine die deze groep kenmerkt.
De meeste soorten Cyanobacteria zijn blauwgroen, maar de natuur is onberekenbaar en laat zich niet zo snel in een hokje plaatsen. Sommige soorten Cyanobacteria in de Rode Zee zijn roodbruin als gevolg van het biopigment fycoërytrine. De bacterie Planktothrix rubescens kleurt water weer roodpaars en veroorzaakt een fenomeen dat de naam Bourgondisch bloed draagt.
[1] Yia et al: The efficacy and mechanisms of fungal suppression of freshwater harmful algal bloom species in Journal of Hazardous Materials – 2010
[2] The possibility of using cyanobacterial bloom materials as a medium for white rot fungi in Letters of Applied Microbiology – 2012
Beukendopgeweizwam
| [Image: bjoems - Beukendopgeweizwam] |
Deze soort groeit vaak in groepjes en je kunt hem eigenlijk het hele jaar wel aantreffen.
Het vruchtlichaam van de beukendopgeweizwam is slechts enkele centimeters hoog met een doorsnede van maximaal twee millimeter. Dat vruchtlichaam groeit ietwat kronkelend omhoog en is niet of nauwelijks vertakt. Het oppervlakte van de conisch gevormde top – je mag het nauwelijks een hoed noemen – is met fijn poeder bedekt. De bovenste helft van die top is eerst zwam, maar verkleurt later tot wit. De onderste helft is en blijft grijs. Als de beukendopgeweizwam rijp is geworden dan blijkt dat de bovenste helft peritheciën (kleine holtes) gevormd zijn die met een grijze gelei gevuld zijn.
De beukendopgeweizwam is sapotroof, wat betekent dat deze soort zijn voedingsstoffen uit dood organische materiaal haalt. Aangezien hij daarbij de nutteloos geworden napjes van de beukenoot gebruik doet hij dus aan recycling.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Xylaria, is afgeleid van het Oudgriekse woord xýlon (ξύλον), wat 'hout' betekent. Het tweede deel, carpophila, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar karpós (καρπός) 'fruit' of 'oogst' betekende en verwant is aan keírō (κείρω) 'afsnijden', terwijl het tweede deel, philía (φιλία) 'vriendschap' of 'liefde voor' was. Samen is dat dus 'houdt van (afgevallen) fruit'.
Het zal de lezer niet verbazen dat alom wordt gedacht dat de kleine beukendopgeweizwammen niet eetbaar zijn. Geen idee waarom je dat ook zou proberen, maar niets menselijks is de mens vreemd. Hij ruikt in ieder geval onopvallend.
Maar is er een reden waarom kleine zwammen toch groots kunnen zijn. Er wordt namelijk onderzoek verricht naar de positieve effecten van de beukendopgeweizwam bij de aanpak van een vervelende plantenziekte met de naam anthracnose[1]. Die wordt gewoonlijk veroorzaakt door diverse schimmels die het gemunt hebben op belangrijke gewassen als chilipepers (Capsicum annuum) en guarana (Paullinia cupana). Op dit moment wordt dat tegengegaan met de gifspuit, maar het blijkt dat de beukendopgeweizwam stofjes aanmaakt die die schimmels bestrijden.
[1] Eleias et al: The potential of compounds isolated from Xylaria spp. as antifungal agents against anthracnose in Brazilian Journal of Microbiology – 2018. Zie hier.
Dennenvoetzwam
| [Image: James Lindsey - Dennenvoetzwam] |
In Nederland komt de dennenvoetzwam algemeen voor in naaldbossen op zandgronden. Dat betekent dat deze soort ook op de Waddeneilanden te vinden is. Overigens heeft de dennenvoetzwam een uitgesproken voorkeur voor douglassparren (Pseudotsuga menziesii) en dat is een exotische soort die inheems is in Noord-Amerika. Bij afwezigheid van die douglasspar neemt hij genoegen met de zeeden (Pinus pinaster), die ook al een exoot is. Op de Waddeneilanden zal de dennenvoetzwam het steeds lastiger krijgen, want daar worden zeedennen door Staatsbosbeheer de laatste jaren weggesaneerd. De vaderlandse natuur moet weer de ruimte krijgen op de eilanden, al groeide er tot het begin van de 20e eeuw op de meeste Waddeneilanden nauwelijks een boom en had het stuifzand vrij spel. Er wordt dus opnieuw een illusie aangeplant.
De dennenvoetzwam leeft meestal solitair, maar soms ook met elkaar vergoeid. In de nazomer en vroege herfst verschijnen eenjarige vruchtlichaamen die bestaan uit behoorlijk grote hoeden met een diameter die wel 25 centimeter kan bedragen. Het oppervlak van die hoed in min of meer vlak, al kan deze ook ietwat verdiept zijn. Dat oppervlak voelt bij aanraking viltig aan. Jonge exemplaren zijn opvallend mosterdgeel. Binnen enkele weken, als de paddenstoel volgroeid is, wordt de hoed kleverig van een uitgescheiden harsachtige substantie en wordt de kleur donkerder, eerst donker roestbruin, later zelfs tot zwart. Aanvankelijk heeft die hoed nog een zwavelkleurige rand. Uiteindelijk wordt het vruchtlichaam hard en geheel zwart. De steel is (soms) excentrisch aan de hoed bevestigd. De witte sporen zitten in buisjes onder in de hoed.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Phaeolus, is afgeleid van het Oudgriekse phaiós (φαιός), wat 'donker' of 'duister' betekende. Het verklaart de verkleuring tot vrijwel zwart aan het einde van het leven van dit geslacht. Het tweede deel, schweinitzii, eert de Amerikaanse botanist annex mycoloog Lewis David von Schweinitz (1780-1834), die volgens sommigen als de vader van de Amerikaanse paddenstoelkunde wordt gezien.
Uit deze paddenstoel wist men in vroeger tijden diverse kleurstoffen te winnen om garen in te kleuren. Afhankelijk van de leeftijd van de dennenvoetzwam kon men verschillende tinten geel, oranje en bruin produceren.
De dennenvoetzwam heeft een nauwelijks waarneembare geur en een wat bittere smaak.
Inktviszwam
| [Image: Steveb68 - Inktviszwam] |
Met een naam als de inktviszwam verwacht je een paddestoel met een uitzonderlijk uiterlijk en deze keer is je verwachting geheel terecht. De jonge paddenstoel ontplooit zich vanuit een op de grond liggend ei (in zijn thuisland een witch's egg ofwel 'heksenei' genoemd) en vormt vier tot zeven slanke lange armen. Die armen zijn in eerste instantie met de toppen aan elkaar verbonden. Daarna ontvouwen die armen zich en laten een roze rode binnenkant zien waarop kaki-kleurige gleba (vlezige sporenbevattende massa's) te zien zijn. Het totale beeld doet inderdaad denken aan een op zijn rug liggende inktvis. Maar wel eentje die niet helemaal meer in goeden doen is, want de inktviszwam staat bekend om zijn misselijkmakende geur van rottend vlees.
De soort is inheems in Australië en Tasmanië. De inktviszwam voelt zich het beste thuis in wat vochtige, wat beschaduwde weilanden, maar hij laat zich ook niet uit het veld slaan als hij moet opgroeien in een licht beboste omgeving. Dat opgroeien doet hij van juli tot september.
Officieel is het onbekend hoe de inktviszwam hier in Nederland terecht is gekomen. Zijn eerste waarneming in Nederland stamt uit 1921, maar in Engeland is hij al in 1914 voor het eerst aangetroffen. Dat laatste jaartal doet vermoeden dat de sporen onder de zolen van Australische soldaten zijn meegelift toen die in de Eerste Wereldoorlog in de loopgraven van België en Noord-Frankrijk hun leven moesten wagen om Europa te bevrijden van de Duitsers.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Clathrus, is afgeleid van het Oudgriekse kleithron (κλειθρον), wat 'kluis' heeft betekend met als uiteindelijke bron kleíō (κλείω) '(af)sluiten'. Sommige soorten lijken inderdaad op een kluis. Het tweede deel, archeri, eert de Ierse mycoloog Alan W. Archer (1930).
De inktviszwam schijnt volgens sommige 'kenners' zelfs eetbaar te zijn al wordt zijn smaak als extreem vies getypeerd en alleen vliegen lijken de kadavergeur een heerlijk aroma te vinden. Het ei, waaruit hij ontspruit, ruikt en smaakt een beetje naar radijs. En dat wordt alom als enige eetbare stadium aangemerkt. Toch wordt voorzichtigheidshalve maar gemeld dat je de inktviszwam pas op je menu moet zetten als je verdwaald bent in de wildernis en er geen Albert Heijn in de buurt is.
Intussen voelt de inktviszwam zich niet meer zo eenzaam, want het eerste familielid heeft zich ook in ons land gevestigd: de traliestinkzwam (Clathrus ruber).
Bittere kaaszwam
| [Image: Natalia Demchenko - Bittere kaaszwam] |
Het vruchtlichaam van de bittere kaaszwam is waaiervormig of hoedvormig met een sponzige structuur. Individuele hoeden zijn tot 12 centimeter breed met een meestal glad oppervlak en met een ietwat getande rand. De onderzijde heeft soms kleine poriën, een structuur die mycologen poroïd plegen te noemen. De kleur van de hoed is ivoorwit.
Bittere kaaszwammen leven solitair of in groepen. Het is immers maar net waar de sporen terecht gekomen zijn.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Postia, is afgeleid van het Latijnse woord positus, wat perfect naar het Nederlandse woord 'positie' vertaald kan worden. Het tweede deel, stiptica, kunnen we herleiden tot het Oudgriekse woord stuptikós (στυπτικός), wat 'samentrekken' betekende. Er werd ooit gedacht dat (een extract van) de bittere kaaszwam het bloeden zou kunnen stelpen.
De bittere kaaszwam heeft een sterke zwammige en ietwat zurige geur. Mocht je hem even willen proeven dan ontdek je al snel waarom hij de naam bittere kaaszwam draagt: deze soort is namelijk enorm bitter. Zo bitter zelfs dat hij alom oneetbaar wordt geacht.
Er is maar weinig belangstelling van de wetenschap voor de eventuele effecten van de bittere kaaszwam op het menselijk lichaam. Een onderzoek bracht aan het licht dat een extract van de bittere kaaszwam diverse vervelende bacteriestammen wist te doden (However, complete inhibition of bacterial growth was seen for Postia stiptica)[1].
Een ander onderzoek toonde aan dat een extract van de bittere kaaszwam een beperkt vaatvernauwend effect heeft[2]. In de medische wereld noemt men dat een ACE-remmer. Het zijn medicijnen die de werking van een bepaald enzym, het angiotensine-converterend enzym (ACE), in de weefsels en het bloedplasma remmen. Ze worden bijvoorbeeld voorgeschreven bij gevallen van hoge bloeddruk en chronisch hartfalen. Maar heb ik niet zo heel veel vertrouwen in het vakblad waarin dit onderzoek werd gepubliceerd.
[1] Tamraker et al: Antibacterial activity of Nepalese wild mushrooms against Staphylococcus aureus and Propionibacterium acnes in Journal of Wood Sciences - 2017. Zie hier.
[2] Bang et al: Wild Mushrooms in Nepal: Some Potential Candidates as Antioxidant and ACE-Inhibition Sources in Evidence-Based Complementary and Alternative Medicine - 2014. Zie hier.
Echte kopergroenzwam
| [Image: Geertje Geertsma - Echte kopergroenzwam] |
De echte kopergroenzwam heeft een slijmerige, kleverige hoed die varieert in doorsnede van twee tot zeven centimeter. De vorm daarvan is in eerste instantie klokvormig, later wat meer gewelfd. Er ontstaat vaak een brede, stompe umbo ('schildknop'). Het oppervlak is diep blauwgroen en versierd met witte vlokken. Tijdens het verouderingsproces verkleurt de hoed vanuit het centrum naar okergeel. De lamellen van deze soort zijn bleek grijs, maar zullen later verkleuren tot zwart met een zweem van purper. De witte steel is naar verhouding behoorlijk lang en heeft een gelijkblijvende dikte. Deze soort heeft een delicate fijn gestreepte ring.
De echte kopergroenzwam is sapotroof op strooisel in zowel naaldbossen als loofbossen met als gevolg dat je hem in het hele land zou kunnen aantreffen. Hij leeft solitair of in kleine groepjes op vooral zandgrond van de zomer tot de herfst.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Stropharia, is te herleiden tot het Oudgriekse woord stróphos (στρόφος), wat 'touw' betekende. Je moet het dan zien als een 'riem, gemaakt van touw' en het verklaart de ring om de steel die dit geslacht kenmerkt. Het tweede deel, aeruginosa, is Latijns. In die taal betekende aerūgō 'roest van koper', want aes betekende ooit 'koper' of 'brons'. Het roesten van koper levert de bekende groene kleur op en heeft ooit de naam verdigris gekregen. Letterlijk is dat 'groen van Griekenland'.
Het vlees van de echte kopergroenzwam is vrij dik, bleek blauwig-wit (of wittig-blauw) met een onopvallende geur. Het is tijd om te onderzoeken of je van de echte kopergroenzwam culinair kunt genieten. In vele veldgidsen, die in Noord-Amerika zijn gepubliceerd, wordt de echte kopergroenzwam gezien als giftig, al weet men niet te melden hoe giftig de soort is, welke negatieve effecten van het consumeren je kunt verwachten of zelfs welke giftige stoffen in deze paddenstoel verstopt zitten. In Europa staat in sommige veldgidsen vermeld dat de echter kopergroenzwam eetbaar is, maar dat deze soort niet echt smakelijk is. Hij heeft namelijk een wat vreemde pittige smaak. Persoonlijk denk ik: better safe than sorry.
Maar toch, hoe kan het dat men op het ene continent denkt dat de echter kopergroenzwam giftig is, terwijl men op het andere denkt dat hij eetbaar is. Het is mogelijk dat de soort op het ene continent geëvolueerd is naar meer of minder giftigheid. Slechts een enkele mutatie kan dat gevolg al hebben.
Kopergroenebekerzwam
Deze twee soorten, de gewone kopergroenbekerzwam (Chlorociboria aeruginosa) en de grootsporige kopergroenbekerzwam (Chlorociboria aeruginascens), verschillen onderling maar zo weinig dat er een microscoop aan te pas dient te komen om uitsluitsel te geven om welke soort het precies gaat. Daarom heeft men maar besloten om zich niet al te druk te maken en gewoon opgetogen te zijn als men een exemplaar aantreft. Het is een superklein zwammetje met een hoeddiameter van niet meer dan 0,5 centimeter.
![]() |
| [Foto: Jimm] |
De naam kopergroenbekerzwam is uitermate goed gekozen omdat het zwammetje de vorm van een minuscuul bekertje heeft en een prachtige kopergroene kleur heeft. Je zou dus denken dat deze paddenstoelen bijzonder opvallend zijn, maar ze zijn echter zo klein dat ze toch snel over het hoofd gezien worden.
Die kopergroene kleur heeft de zwam te danken aan een pigment met de naam xylindein. Omdat de zwam ook het onderliggende hout ‘infecteert’ zal dat ook een kenmerkende kopergroene zweem krijgen en dat hout werd in Engeland ooit gebruikt voor het inleggen van bepaalde soorten houtsnijwerk. Nu niet meer. Ook dat is het gevolg van de zeldzaamheid van de kopergroenbekerzwammetjes.
Anijskoraalzwam
| [Image: Bill Leithhead - Anijskoraalzwam] |
In het algemeen kun je de anijskoraalzwam aantreffen in naaldbossen waar het groeit op stronken en ander dood materiaal, waaronder zelfs blad- of naaldafval (strooisel). Je moet natuurlijk een behoorlijke dosis geluk hebben, maar deze zeldzame soort wordt het vaakst aangetroffen tussen augustus en december.
De vruchtlichamen, ook wel basidiocarps genoemd, van de anijskoraalzwam bestaan uit een samengebalde cluster van takken. Deze zijn maximaal zo'n acht centimeter hoog en hebben een gezamenlijke doorsnede van gemiddeld vier centimeter. De individuele takken hebben een relatief smalle basis en zijn gewoonlijk getand of gevorkt. Soms zijn takken met elkaar verstrengeld. De kleur van deze koraalzwam varieert van lichtbruin tot wit en beige met een wat roze tint. De kleur wordt fletser naar de uiteinden. De elliptische sporen hebben piepkleine wratjes die zo dun zijn dat ze zelfs op naalden lijken. Die 'naalden' kun je slechts bewonderen middels een sterke microscoop, want een hele spore is maar zeven µm groot.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ramaria, is afgeleid van het Latijnse woord rāmus wat 'tak' betekent. Het tweede deel, gracilis, is afkomstig van het Latijnse gracilis, wat 'slank' heeft betekent. Kennelijk dacht men vroeger dat alleen slanke mensen zich gracieus konden voortbewegen. De soortnaam poogt de smalle basis van de takken te beschrijven.
De geur van de anijskoraalzwam wordt vergeleken met die van anijs met een zweem van cakejes en zwammen. Vers geplukt is de kleur van het vruchtvlees gelig met een wat groene tint. Ingedroogd zal de kleur veranderd zijn in licht okerachtig. De smaak wordt soms omschreven als bitter, maar soms ook als lekker grijsachtig. Laten we het er maar op houden dat de vruchtlichamen eetbaar zijn in de zin van niet giftig, maar onsmakelijk genoeg om ze aan je voorbij te laten gaan.
Rossig buiskussen
| [Image: Katja Schulz - Rossig buiskussen] |
Rossig buiskussen is een slijmzwam. Hoewel het geen paddenstoelen zijn, vormen slijmzwammen toch vaak sporendragende structuren die lijken op die van de echte paddenstoelen. Bovendien: veel slijmzwamsoorten ontspruiten op dood hout, maar vormen geen doordringende en absorberende massa schimmeldraden (hyfen) in het houtsubstraat. In plaats daarvan vormen slijmzwammen structuren die plasmodia worden genoemd en die naakte (dus zonder celwanden) massa's protoplasma zijn die voedseldeeltjes zoals een amoebe kunnen verplaatsen en verzwelgen. Plasmodia van slijmzwammen kruipen over de oppervlakten en overmeesteren bacteriën, sporen van schimmels en planten, protozoa en deeltjes niet-levend organisch materiaal.
Wanneer de beschikbare hoeveelheid voedsel afneemt is dat het signaal voor de plasmodia om zich te veranderen in sporendragende structuren. In het rossig buiskussen wordt dat plasmodium omgezet in een geclusterde massa van ongesteelde sporangia die samengedrukt worden om een zogenaamd pseudo-aethalium te vormen. Als het plasmodium zich eerst samentrekt en één enkel massaal vruchtlichaam vormt, dan noemt men dit een aethalium. Zijn binnen het aethalium nog volledige scheidingswanden herkenbaar, dan spreekt men van een pseudo-aethalium. In een dergelijke structuur behouden de individuele sporangia nog steeds hun identiteit.
De individuele sporangia zijn enkele tienden van millimeters in diameter breed en drie tot vijf millimeter hoog. De hele groep kan wel 15 cm groot worden, maar blijft meestal kleiner.
In jonge toestand is het rossig buiskussen helder roze tot oranje van kleur, later verkleurt deze tot grauwbruin. Die vorm, gecombineerd met die kleur, deed de Engelsen denken aan frambozen. Vandaar dat hij aldaar de naam red raspberry slime kreeg.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Tubifera, is een combinatiewoord uit het Latijn, waar tubus 'pijp' of 'tube' betekende en fero 'dragen'. Samen is dat 'buisdragend' en het verklaart de algemene vorm van dit geslacht. Het tweede deel, ferruginosa, is terug te herleiden tot het Latijnse woord ferrūgo, wat 'roest(kleurig)' betekende en de rozerode kleur van deze soort beschrijft.
Het vreemde is dat in sommige veldgidsen en handboeken hulpvaardig wordt vermeld dat deze slijmzwam oneetbaar is. Dat lijkt mij een behoorlijk overbodige opmerking en meer bedoeld als bladvulling dan als nuttige informatie. Wie gaat nu zo'n prachtige, maar piepkleine slijmzwam op zijn bord scheppen?
Zwartgroene melkzwam
| [Image: Игорь Лебединский - Zwartgroene melkzwam] |
De hoed van de zwartgroene melkzwam varieert in doorsnede van zo'n 5 tot 15 centimeter. Op jeugdige leeftijd is de hoed gewelfd met een wat stompe rand. Later is die hoed vlak gewelfd met een verzonken centrum en een rimpelige rand. Het oppervlak blijkt iets kleverig te zijn, wat de reden is dat er vaak strooisel op de hoed blijft plakken. De kleur kun je omschrijven als variaties op het thema olijfgroen, al zullen exemplaren op leeftijd zelfs naar bruinzwart neigen. De witte tot crèmekleurige lamellen krijgen later vieze bruine vlekken als gevolg van melksap dat onder invloed van zuurstof verkleurt. De steel van de zwartgroene melkzwam is verrassend kort en iets lichter van kleur dan de hoed.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Lactarius, is uiteindelijk afgeleid van het Oudgriekse gálakos (γᾰ́λᾰκος), wat 'melk' betekent en het melksap of latex beschrijft dat uit de lamellen vrijkomt wanneer deze beschadigd raken. Het tweede deel, necator, is te herleiden vanuit het Latijnse necātor, wat 'moordenaar' betekent. De eerdere soortnaam van deze paddenstoel was turpis, wat in het Latijn 'lelijk' betekende en qua benaming meer op zijn plaats leek, maar later ontdekte men dat zwartgroene melkzwam een gemeen karaktertrekje had.
Op naar de eetbaarheid van deze paddenstoel. Het vlees is stevig van structuur en wit van kleur. De geur in onopvallend. De smaak is in eerste instantie mild, maar na enige tijd lijkt het of je lippen in vuur en vlam staan, want die smaak verandert in zeer scherp. Welnu, zo zou een weldenkend mens denken, deze paddenstoel laat ik met plezier aan me voorbij gaan. In de meeste Westerse landen is dat inderdaad het geval. Echter in landen achter het voormalige IJzeren Gordijn wordt de zwartgroene melkzwam als pittige specerij toegevoegd aan gerechten waarin paddenstoelen verwerkt zijn. Voor de zekerheid worden de zwartgroene melkzwammen eerst gekookt, omdat zelfs onder de bevolking bekend is dat deze soort niet geheel ongevaarlijk is. De zwartgroene melkzwam is namelijk in staat om het potentieel sterk kankerverwekkende stofje necatorin aan te maken. Koken vermindert de concentratie van dat stofje met zo'n 25% (omdat het in het kookvocht wordt opgenomen), maar het wordt niet geheel onschadelijk gemaakt[1]. Ook wordt deze soort in Rusland ingelegd in zout om hem langer houdbaar te maken. Mijn advies is om er van een afstandje van te genieten.
[1] Suortti: Stability of necatorin, a highly mutagenic compound from Lactarius necator mushroom in Food Chemical Toxicology – 1984
Langstelig kroeskopje
Dat plasmodium, het stadium waarin de slijmzwam actief op jacht gaat naar prooien, zoals schimmels en bacteriën. Het plasmodium bestaat uit aderen die een enigszins onregelmatig netwerk gaan vormen. Uit dit plasmodium wordt een slijmachtige (of lijmachtige) substantie gevormd, de hypothallus. Dat is de laag waarmee de slijmzwam contact maakt met zijn substraat.
Uiteindelijk ontstaan de sporangia ('sporenhouder') die bij reguliere paddenstoelen 'hoed' wordt genoemd. De totale hoogte van het langstelig kroeskopje varieert tussen de één en acht millimeter. De vorm is veelal bolrond, maar kan ietwat ovaalvormig zijn (wiskundigen noemen zo'n vorm een ellipsoïde). Het heeft een witte, ietwat doorschijnende en vaak zelfs transparante kleur. Het formaat is grotendeels afhankelijk van de lengte van het steeltje. Die tot acht millimeter lange steel is taps toelopend, een vorm om de in verhouding grote, zware bol te kunnen torsen. De kleur is glanzend zwart. De sporen zijn violetbruin, al zijn die met een doorsnede van 7 tot 10 micrometer (µm) alleen via een sterke microscoop te bewonderen.
De gehele reproductieve fase is een complex evolutionair proces dat slechts een paar uur nodig heeft om zich te ontwikkelen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Comatricha, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar kómē (κόμη) '(lang) haar' betekende (denk aan 'komeet' wiens staart in vroeger tijden met haar werd vergeleken) en thríx (θρίξ), wat ook al 'haar' betekende. We kunnen dit vertalen als 'langharig kapsel'. Het tweede deel, nigra, is afgeleid van het Latijnse nigrum, wat uiteraard 'zwart' betekende.
Dit geslacht komt wereldwijd voor. Ze worden aangetroffen van de verzengende hitte van de woestijnen in Bahrein tot de zilte mangrovebossen aan de Braziliaanse kusten. Zo zie je maar: die slijmzwammen zijn eigenlijk heel slim en kunnen zich moeiteloos aanpassen aan de meest uiteenlopende omstandigheden. In Nederland lijkt de grootste dichtheid van waarnemingen zich in het zuiden van het land te bevinden. In het noordwesten wordt de soort steeds zeldzamer. Misschien houdt deze soort niet zo van winderige omstandigheden, want in het noordwesten waait het immers altijd harder dan elders in het land.
Witpootglinsterkopje
| [Image: Ray Simons - Witpootglinsterkopje] |
De hypothallus is een vliezig laagje waarmee het vruchtlichaam aan het substraat is gehecht. Bij het witpootglinsterkopje zijn dat witte, ronde korreltjes. Het capillitum, het netwerk of een geheel van draden aan de binnenzijde van het sporendragende deel, is hier veelvuldig vertakt en violet, naar bruin neigend, van kleur.
Het plasmodium is ondoorzichtig wit en jaagt op bacteriën en schimmels die in het dode organisch materiaal hun werk doen om de natuur een handje te helpen met de afbraak. Het witpootglinsterkopje leeft op dode bladeren, takken en ander materiaal dat op de grond terecht is gekomen. Deze soort heeft zo weinig voedingsstoffen nodig dat deze zelfs is aangetroffen op kunststof buizen en plastic afdekzeil in een kas waar aardbeien werden geteeld[1].
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Diachea, is afgeleid van het Oudgriekse woord diachnaio (διαχναιω) en dat, onder meer, 'verteren' betekende. Het tweede deel, leucopodia, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar leukós (λευκός) 'wit' betekende en poús (πούς) 'voet'. Samengevoegd is dat 'witpoot'.
Het witpootglinsterkopje heeft een kosmopolitische verspreiding, maar houdt niet van echt koude omstandigheden. Daardoor kom hij niet voor in boreale klimaten. De oude Grieken waren de Mediterrane warmte gewend en vonden die winterse noordelijke winden maar niets. Het moest wel een god zijn en dus werd Boreas (Βορέας) de Griekse god van die koude, uit het noorden komende wind, en daarmee tegelijkertijd de god die de winter naar het land bracht.
In 2003 werd een nieuw broertje van het witkopglinsterkopje aangetroffen in het Great Smoky Mountains National Park (USA). Het boomglinsterkopje (Diachea arboricola) leeft hoog op de stam van levende bomen en het plasmodium kan op zoek naar voedsel grote afstanden afleggen[2]. Het hele geslacht Diachea omvat nu 13 soorten.
[1] Lee et al: Identification of Diachea leucopodia on Strawberry from Greenhouse in Korea in Mycobiology – 2008
[2] Keller et al: Tree canopy biodiversity in the Great Smoky Mountains National Park: ecological and developmental observations of a new myxomycete species of Diachea in Mycologia - 2003
Karmijnrood netwratje
| [Image: Lukas from London, England - Karmijnrood netwratje] |
Het karmijnrood netwratje is een kleine rode slijmzwam die in groepjes groeit. Hij leeft saprotroof op dood loofhout van takken, struiken en bomen. In de 'slijmvorm' zoekt het witte plasmodium actief naar prooien. Die prooien bestaan uit bacteriën die in dat dode loofhout het verval bespoedigen.
Pas daarna ontstaan de eigenlijke zwammen die een hoed hebben die ietwat ovaal tot cilindrisch gevormd zijn en een diameter hebben van 0.5 tot 1.0 millimeter. Daarbij is die hoed, als gevolg van diens vorm, tussen de 1.5 tot 5 millimeter hoog. De kleur wordt beschreven als variërend tussen rozerood en baksteenrood. Op latere leeftijd verweert die kleurr naar bruinachtig. De hoed wordt gedragen door een steel die vaak niet eens goed te zien is en zo'n kwart van de totale hoogte van de hele zwam bedraagt. De kleur van die steel is gelijk aan die van de hoed. De sporen zijn uiteraard bijna microscopisch klein met een diameter van zo'n 6 tot 8 µm.
Zo klein zijn ze dat je al snel denkt dat ze nauwelijks zullen opvallen, maar dat valt best mee. Het karmijnrode netwratje komt namelijk voornamelijk voor in grote groepen en met die kleur zal dat zeker opvallen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Arcyria, kunnen we terugvinden in woordenboeken van het Oudgrieks, waar arkys (ἄρκυς) zoiets als '(vang)net' betekende om dieren te vangen. Het verklaart de netvormige buitenkant van de hoed van dit geslacht. Het tweede deel, denudata, is geleend uit het Latijn, waar dēnūdō gesplitst kon worden in dē ('over' of 'betreffende') en nūdus ('naakt').
Een slijmzwam is dus een vreemde eend in de bijt van de zwammen. Het plasmodium kun je zien als meerdere cellen die samenwerken om te jagen op andere organismen. In het verleden waren deze organismen geklassificeerd onder de zwammen, maar moderne inzichten hebben geleid tot nog meer verwarring. Genetisch onderzoek heeft wel duidelijk gemaakt dat slijmzwammen en zwammen geen directe gemeenschappelijke voorouder hebben. Wij houden het eenvoudig, want ik reken slijmzwammen nog steeds tot de zwammen.
Er is heel beperkt wetenschappelijk onderzoek verricht aan het karmijnrood netwratje. Er zijn wat stofjes gevonden die nooit eerder in de natuur waren aangetroffen en een van die stofjes leek beschadigingen te veroorzaken aan speciale menselijke cellen die gevoelig gemaakt waren voor leukemie en Aids[1].
[1] Kamata et al: Bisindole alkaloids from myxomycetes Arcyria denudata and Arcyria obvelata in journal of Natural Products - 2006
Troskalknetje
| [Image Sarah Lloyd - Troskalknetje in 'slijmzwamtoestand'] |
De eerste vruchtlichamen worden soms al gevormd in augustus en de laatsten beleven in april op de Wadden een vaak roemloos einde.
Deze slijmzwam begint zijn leven als een geel slijm dat actief op zoek gaat naar prooien. Later ontstaan talloze vruchtlichaampjes die de vorm van piepkleine hangende druifjes hebben. Die vruchtlichaampjes zijn meestal bolvormig, maar kunnen ook ovaal-, ei- of peervormig zijn. In het eerste hangende stadium zijn deze slijmzwammen oranje van kleur, terwijl ze later in hun leven indrogen en in kleur variëren van blauw, blauwgrijs tot leigrijs. Soms heeft heeft hun oppervlak een wat metaalachtige glans. De vruchtlichamen bereiken een diameter van 0,4 tot 1,5 millimeter en een lengte van één tot twee millimeter. Ze groeien op dunne, draadachtige tot lintachtige stengels, waaraan ze meestal hangen. Die hangende steel is lichtgeel tot lichtbruin van kleur en is natuurlijk zeer kwetsbaar. Hij is 0,5 tot 3 millimeter dik en maximaal vijf millimeter lang. Ze zijn vaak gebundeld en lijken hierdoor op ingedroogd gras. Meerdere stelen vormen kruisverbindingen met elkaar.
| [Image: Sarah Lloyd - Troskalknetje in 'volwassentoestand'] |
De schaal (peridia) bestaat uit een extreem dunne schil. Het oppervlak kan gepokt worden door kalkaanslag. De peridia kan onregelmatig scheuren in het bovenste gedeelte, maar is blijft bijna volledig intact. De microscopisch kleine sporen worden uiteindelijk door de wind verspreid. Dat is wellicht een aanwijzing waarom het troskalknetje nauwelijks op de Waddeneilanden wordt aangetroffen: het waait er te veel en te hard, waardoor de sporen van de eilanden af in de onbarmhartige koude zee worden geblazen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Badhamia, eert Charles David Badham (1805-1857), een in zijn tijd bekende arts, insectkundige (entomoloog) en paddenstoelkundige (mycoloog). Het tweede deel, utricularis, is terug te vinden in het Latijn, waar utriculus uiteindelijk was afgeleid van ūter. Dat woord beschreef een zak of fles, gemaakt van een dierenhuid. Het beschrijft treffend de hangende vruchtlichaampjes.
Geef het maar toe: die slijmzwammen lijken op het eerste gezicht alleen maar slijmerig, maar zijn eigenlijk heel interessant.
Photo credit.
Grauwgroene hertenzwam
| [Image: Stu's Images - Grauwgroene hertenzwam] |
Deze soort leeft van de voedingsstoffen die dood organisch materiaal hem kunnen leveren. Denk aan al behoorlijk verrotte omgevallen boomstammen of afgevallen dikke takken. Rondom de Waddenzee is hij vrij algemeen in de nazomer tot de late herfst.
De grauwgroene hertenzwam heeft een hoed met een doorsnede die varieert van een tot vier centimeter. Dat is dus geen joekel van een zwam. In jeugdige toestand lijkt die hoed klokvormig, later vervormt deze tot vrijwel vlak met een nauwelijks zichtbare umbo (of schildknop). Zoals zijn naam al doet vermoeden is de kleur van de hoed grijsgroen, al wordt die kleur richting rand van de hoed een heel stuk bleker. De slanke steel is langer dan de hoed breed is.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Pluteus, is van Latijnse herkomst, waarmee men een beschermende constructie beschreef. Denk aan een borstwering, een stenen huis (of stins) en zelfs een boekensteun. Het probeert de standplaatsen van dit zwammetje te verklaren. Het tweede deel, salicinus, probeert de favoriete boomsoort van de grauwgroene hertenzwam te benoemen: de wilg (Salix spp.).
We gaan doorschakelen naar de geur en smaak van de grauwgroene hertenzwam. De geur wordt beschreven als onplezierig, onbestemd of ietwat neigend naar radijs. Over de smaak gaan precies dezelfde kwalificaties de ronde.
Maar goed, het gaat de gebruiker niet om de geur of smaak, maar om de onzichtbare hallucinerende stofjes die zich verstoppen in dit kleine zwammetje. Het gaat hier om de psychedelische broertjes psilocybine, psilocyne en baeocystine[1][2].
De natuur heeft die psycho-actieve stofjes in meer dan 200 verschillende soorten zwammen weten in te bouwen. De vraag waarom al die zwammen die stofjes hebben leren aanmaken heeft wetenschappers lang bezig gehouden. Ze denken dat het geëvolueerd is om insecten dwars te zitten. Als ze van dit soort zwammen beginnen te eten, krijgen ze dus ook psilocybine, psilocyne en baeocystine binnen. In de hersenen van die insecten heeft het een eetlustremmend effect[3].
Uit wetenschappelijk onderzoek bleek dat de werkzame stoffen in gedroogde grauwgroene hertenzwammen behoorlijk kunnen variëren. Het gehalte aan psilocybine bleek tussen 0.21-0.35 te liggen, terwijl dat van psilocine lag tussen 0.011-0.05%. Positieve en negatieve ffecten treden een kwartier tot twee uur na ingestie op en duren meestal minder dan zes uur, maar kunnen soms ook tot 12 uur aanhouden. Lekker onduidelijk.
[1] Christiansen et al: Detection of psilocybin and psilocin in norwegian species of pluteus and conocybe in Planta Medica - 1984
[2] Gartz: Occurrence of Psilocybin and Baeocystin in Fruit Bodies of Pluteus salicinus in Planta Medica - 1987
[3] Reynolds et al: Horizontal gene cluster transfer increased hallucinogenic mushroom diversity in Evolution Letters - 2018
Papegaaizwammetje
De papegaaizwam is maar een kleine paddenstoel. Hij heeft een hoed die een doorsnede heeft van niet meer dan vier centimeter. Meestal is hij dus kleiner. In zijn jeugdige periode is die hoed nog halfbol, maar later vervormd deze tot vlak gewelfd met een stompe umbo. Een umbo is genoemd naar een schildknop die het centrale deel van oude Romeinse schilden beschermde. Gedurende zijn bestaan verkleurd het papegaaizwammetje van donkergroen, via oranje naar geel met olijfgroene of roze tinten, om uiteindelijk met rood of zelfs ietwat blauwig te eindigen. Als je meerdere exemplaren gegroepeerd ziet in diverse stadia van verkleuring kun je wel begrijpen hoe deze zwam aan zijn naam is gekomen. De groene steel is gewoonlijk wat langer dan de hoed breed is. De lamellen zijn ook al groenig met gele tinten.
Deze zwam is pas recent van familie veranderd, want nog niet zo lang geleden was zijn wetenschappelijke naam Hygrocybe psittacina. Uit modern moleculair onderzoek bleek echter dat hij tot het geslacht Gliophorus behoorde, al zijn beide geslachten zeer nauw aan elkaar verwant.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Gliophorus, is een combinatiewoord: het Oudgriekse glía (γλία), wat 'lijm' betekent, en phōrós (φωρός), wat 'dragen' betekent. Samen is dat dus 'lijm in zich dragend'. Dat klopt want alles aan het papegaaizwammetje voelt slijmerig en kleverig aan. Het tweede deel, psittacinus, is ook al terug te herleiden tot het Oudgrieks, want psittakós (ψιττακός) betekende 'papegaai'.
Een geur is nauwelijks te ontdekken aan deze kleine zwammetjes. Kenners geloven dat het papegaaizwammetje min of meer eetbaar is, maar dat het nauwelijks de moeite waard is om ze te plukken en voor consumptie gereed te maken. Ze zijn te klein en veel te slijmerig om met smaak te kunnen of willen consumeren. Bovendien zijn er berichten dat het eten van 20 of meer exemplaren onherroepelijk zal leiden tot maag- en darmproblemen.
Laat ze maar staan in hun eigen wereldje, want hun wereld wordt steeds kleiner als gevolg van intensievere landbouwmethoden, waar kunstmest meer regel als uitzondering is.
Scherpe schelpzwam
De scherpe schelpzwam is maar een kleine waaiervormige zwam met een diameter van maximaal vier centimeter. Het vruchtlichaam zit verbonden met een kort, dik steeltje. De kleur van de hoed noemt men soms liefdevol oker of kaneel, maar is natuurlijk gewoon lichtbruin. Die hoed heeft een structuur die wat aan klei doet denken. Het oppervlak zal rimpelig en lichter van kleur worden als het exemplaar wat op leeftijd komt. De soort komt meestal in groepen voor.
De scherpe schelpzwam komt vooral voor in loofbossen en zal daarom in toenemende mate op de Waddeneilanden worden aangetroffen, aangezien daar de meeste dennen niet aan de vernielzucht van Staatsbosbeheer zullen ontkomen. Hun nieuwe natuur is slechts het gevolg van ambtelijk denken en betekent simpelweg het creëren van een nieuwe kunstmatige versie van wat er nooit was.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Panellus, is natuurlijk verwant aan het Nederlandse woord 'paneel', maar oorspronkelijk kunnen we het herleiden tot het Latijnse woord pannus 'lap' en het Oudgriekse pênos (πῆνος) 'web'. Het tweede deel, stipticus, is Latijns en betekent 'kleverig'.
Voor mensen die van coquilles of paddenstoelen op hun bord houden: ik zou de scherpe schelpzwam niet proberen te consumeren. Deze soort is veel te klein, ruikt nergens naar en smaakt bovendien veel te bitter, scherp en ook nog zurig. De smaak lijkt ook nog eens te variëren tussen exemplaren die op verschillende continenten groeien. Maar het meest interessante van de scherpe schelpzwam is dat hij in Noord-Amerika een nieuw kunstje heeft geleerd: hij doet namelijk aan bioluminescentie. Dat betekent dat deze paddenstoel geleerd heeft om licht te geven, precies zoals de zeevonk of de vuurvlieg dat kunnen. Hoewel de helderheid maar heel zwak is kan hij dat wel dagenlang volhouden. Die bioluminescentie wordt veroorzaakt doordat een pigment met de naam luciferine onder invloed van zuurstof (oxidatie) en het enzym luciferase uiteenvalt in oxyluciferine en licht. Door het bijna magische licht heeft deze soort in Amerika de bijnaam foxfire gekregen. In Europa kan hij dat kunstje (nog) niet en dat is jammer. Wij kunnen wel wat magie gebruiken in deze duistere tijden.
Ivoorkoraaltje
![]() | |
| [Image: Ryan Kaldari - Ivoorkoraaltje] |
De vertakte structuur doet denken aan tropisch koraal, zoals we dat in de vele natuurdocumentaires van Jacques Cousteau (1910-1997) hebben kunnen bewonderen. Overigens is het minder bekend dat ook in de Noordzee diverse soorten koudwaterkoraal voorkomen. Voorbeelden daarvan zijn dodemansduim (Alcyonium digitatum) en anjelierkoraal (Caryophyllia smithii).
Het vruchtlichaam van dit kleine zwammetje rijst tot een centimeter of vijf omhoog vanuit een relatief brede stam. Als gevolg van de vele vertakkingen kan deze soort ongeveer vier centimeter breed worden. Die takken zijn slechts één tot twee centimeter breed, zijn glad en wit met ietwat gelige toppen als ze al wat last krijgen van ouderdomsverschijnselen. Het ivoorkoraaltje heeft een brede verspreiding over het noordelijk halfrond, alsmede Australië. Het ivoorkoraaltje kan als een enkel exemplaar voorkomen of in kleine groepjes. Het is immers maar net waar de door de wind verspreide sporen terecht komen. Het ivoorkoraaltje lijkt een lichte voorkeur te hebben voor een standplaats onder coniferen, al is dat gezien zijn zeldzaamheid maar een vermoeden.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ramariopsis, betekent zoiets als 'lijkend op Ramaria' en dat is een ander geslacht van ongeveer 200 verschillende koraalzwammen. Het woord Ramaria is afgeleid van het Latijnse woord rāmus, wat 'tak' betekent. Het tweede deel, kunzei, eert de Duitse botanicus en mycoloog ('paddenstoelkundige') Otto Kuntze (1843-1907). Hij ontwikkelde ooit een alternatieve botanische nomenclatuur (de tweedelige wetenschappelijke naam, ooit verzonnen door Carl Linnaeus) die nogal wat verwarring en boosheid veroorzaakte onder biologen. Die van Linnaeus won uiteindelijk en die van Kuntze raakte in de vergetelheid.
Kenners hebben vastgesteld dat het ivoorzwammetje geen opmerkelijke geur en een broze textuur bezit. De smaak is mild, maar zorgt bij liefhebbers niet voor opwinding. Toch noemen sommige schrijvers deze soort eetbaar. Misschien dat men in tijden van hongersnood iedere potentieel niet-giftige zwam zal aangrijpen om maar niet de hongerdood te sterven, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het lieflijke ivoorkoraaltje weinig calorieën in zich herbergt. En hoeveel van die kleine zwammetjes moet je niet zien te plukken voordat de magen van je gezin enigszins gevuld zijn.
Oranje mestzwammetje
![]() |
| [Image: Konrad Lackerbeck: Oranje mestzwammetje] |
Het vruchtlichaam van het oranje mestzwammetje is min of meer schijfvormig met een doorsnede van circa vijf millimeter. Ja, dat is klein, heel klein. Een korte, stompe steel zit in het 'substraat' om daaruit de voedingsstoffen te halen. Het oppervlak van dat vruchtlichaam is glad of ietwat korrelig of bobbelig. De kleur varieert van oranje tot geel-oranje. Het vlees is waterig.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Cheilymenia, is een combinatiewoord: uit het Oudgrieks stamt géneion (γένειον) 'kin', gekoppeld aan -ás (-ᾰ́ς), wat samen 'baard' betekent. Vervolgens is -menia is een term uit het Latijn en is vergeijkbaar met 'mini' of 'minor'. Samen is het dus 'kleine baard' en het verklaart de haartjes aan het vruchtlichaam van de meeste soorten. Het geslacht wordt ook borstelbekertjes genoemd. Het tweede deel, granulata, betekent in het Latijn '(bedekt met) granules' ofwel 'korrels'. Het beschrijft het soms wat bobbelige oppervlak van het vruchtlichaam.
Het oranje mestzwammetje is in staat om snel een goede ondergrond te vinden. De koeienvlaai moet eigenlijk nog dampen. Binnen een uurtje kan deze al bedekt zijn met talloze oranje mestzwammetjes. Het Engelse adagium 'safety is in numbers' doet hier ook opgeld: deze soort kan met duizenden tegelijk een koeienvlaai bevolken. Je kunt je soort helpen overleven door met zoveel mogelijk exemplaren tegelijkertijd op te groeien. Dan hebben de door de wind meegevoerde sporen ook meer kans om later weer een verse vlaai te treffen. Omdat koeien het grootste deel van het jaar in de wei horen te staan, kun je het oranje mestzwammetje vanaf mei tot oktober 'in het wild' aantreffen.
Onderzoekers hebben wel eens zo'n piepklein mestzwammetje geplukt en eraan geroken. Hij ruikt zogenaamd nergens naar, al zou ik toch zeker een zweem van de geur van mest vermoeden. Mensen, die een huivering niet konden onderdrukken, hebben er ook eens voorzichtig van geproefd en meldden ietwat opgelucht dat hij ook nergens naar smaakt. Ik kan me overigens ook nauwelijks voorstellen dat iemand een bord wil vullen met die kleine zwammetjes.
Komt deze soort op de Waddeneilanden voor? Jawel, maar niet uitbundig. Misschien blaast de vrijwel altijd waaiende wind de sporen van de eilanden in de zee.
Dooiergeel mestzwammetje
![]() |
| [Image: Lebrac - Dooiergeel mestzwammetje] |
Het dooiergeel mestzwammetje (Bolbitius titubans) is heeft een wereldwijde verspreiding. Gezien zijn naam is het niet verwonderlijk dat hij graag op verse mest of zwaar bemeste grond zijn thuis heeft. Op de Waddeneilanden kun je hem ook naast schelpenpaden aantreffen, het directe gevolg van het berijden van paarden. Hoe rijker de ondergrond, hoe forser de vruchtlichamen zullen zijn.
Deze kleine zwam heeft een heeft met een doorsnede van gemiddeld drie centimeter. Hij groeit vanuit een eivorm naar de vorm van een kleine rugbybal. In volwassen toestand is hij conisch, de vorm van een omgekeerde tol. Later in diens leven spreidt de hoed zich uit en wordt min of meer vlak. Deze is dan heel dun geworden en zal dan snel verweken, waardoor hij slijmerig zal aanvoelen. De kleur van de hoed begint als geel tot heldergeel en vervaagt dan gedurende de tijd tot grijswit. Al die levensfases kan het dooiergele mestzwammetje binnen een dag doorlopen. De steel is een centimeter of zes lang en is gelig wit (of bleekgeel) van kleur.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Bolbitius, wordt door iedereen vertaald als 'van koeienmest'. Dat is echter onjuist. Het is een afgeleide van het Oudgriekse woord bôlos (βῶλος), waarmee men ooit een een 'kluit (modder)' mee bedoelde, maar later is dat verbasterd tot bolus. Dát is inderdaad een woord voor ontlasting. Het tweede deel, titubans, betekent 'wankelend' in het Latijn en probeert te beschrijven dat dit zwammetje in alle richtingen kan opgroeien.
Het dooiergele mestzwammetje geurt onopvallend. Algemeen wordt in de literatuur gemeld dat deze soort oneetbaar is. Anderen schrijven dat de het onbekend is of dit zwammetje eetbaar is, maar dat door het kleine formaat het oogsten en klaarmaken eigenlijk onbegonnen werk is. Weer een andere bron meldt dat het consumeren van het dooiergeel mestzwammetje wel degelijk misselijkheid, maag- en darmproblemen en diarree zal opleveren.
Zelf geloof ik dat een zwam die op mest opgegroeid is nu niet direct een smakelijk maaltje zal opleveren. Laat dat kleine opdondertje maar gezellig staan, want hij leeft maar zo kort.
Duinstinkzwam
![]() |
| [Image: Stefan.lefnaer - Duinstinkzwam] |
De steel van het vruchtlichaam van de duinstinkzwam kan 20 centimeter lang worden en is sponsachtig, breekbaar en hol. Aan de bovenkant van de stengel bevindt zich een geribbelde dop, het zogenaamde duivelsei, waarover grijzig tot olijfkleurig sporenslijm (gleba) zit. Na blootstelling aan de lucht scheurt het duivelsei open en wordt de gleba vloeibaar. Daardoor komt een geur vrij die insecten aantrekt die vervolgens helpen de sporen te verspreiden.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Phallus, is eenvoudig te verklaren: de vorm deed de naamgever denken aan het mannelijk lid in opgewonden toestand. Het Latijnse phallus werd geleend van het Oudgriekse phallós (φαλλός). Het tweede deel, hadriani, eert de Nederlandse arts en historicus Hadrianus Junius, de verlatijnste naam van Adriaen de Jonghe (1511-1575). In 1564 liet hij een in het Latijn gesteld traktaat verschijnen over de stinkzwammen met de titel 'Phalli, ex fungorum genere in Hollandiae sabuletis passim crescentis descriptio, & ad vivum expressa pictura'. Ruw vertaald is dat: 'Phalli. Een beschrijving van de paddenstoelen die in het wild groeien in de Nederlandse bodem, en de afbeelding (daarvan) levendig weergegeven.'
Over de geur is niet iedereen het eens, want sommige kenners beschrijven deze als zwak en aangenaam of zelfs dat hij naar viooltjes ruikt, maar anderen verklaren stellig dat hij stinkt en naar rottend vlees geurt. Het lijkt me dat het feit dat hij in opengebarsten vorm allerlei vliegen aantrekt al een aanwijzing zal zijn dat hij niet direct lekker zal ruiken.
Net als de meeste andere stinkzwammen wordt ook van de duinstinkzwam gedacht dat hij eetbaar is in zijn duivelseivorm. Dat is dus voordat hij is opengebarsten en die sterke aasgeur gaat verspreiden. Consumenten in Oost-Europa en die in enkele Aziatische landen menen zelfs dat het duivelsei een delicatesse is. Eén culinaire bron meent echter dat niemand met een enigszins ontwikkelde reukzin er ook maar over zal piekeren om welke soort dan ook van het geslacht Phallus op te eten. Ik kan hem daarin alleen maar gelijk geven.






